Speech directeur Witteveen 'Op weg naar een gezonde pensioensector'

Speech
Datum 12 september 2005
Tijd 00:00 uur
Lokatie Congrescentrum Orpheus te Apeldoorn
Spreker mr. D.E. Witteveen

Nog geen vijf jaar geleden waren velen van u ook in deze zaal. Overdracht van de voorzittershamer van de PVK en, met een lichtshow en geluid, de nieuwe huisstijl en naam van de PVK. 
Sindsdien is er in deze schouwburg veel verbouwd en veranderd, en niet alleen in deze schouwburg. Pensioenen golden toen nog als saai, droog en voor een handjevol deskundigen. Vandaag is het een actueel onderwerp. 

Een pensioenfondsbestuur heeft een lastige en verantwoordelijke taak: het waarborgen van de verplichtingen en de zorg voor een deugdelijk pensioen. Het werk van een pensioenfonds is een zaak van goed risicobeheer. Voor velen van u zal dit als een open deur klinken. Toch krijgt het beleggingsproces soms zoveel aandacht dat dàt de enige taak van het pensioenfonds lijkt te zijn. Dat is zeker niet het geval. Sterker nog, die activiteit kan worden uitbesteed zonder dat daarmee het pensioenfonds ophoudt te bestaan. Dit geldt ook voor de pensioenadministratie. Wat echter niet kan worden uitbesteed, is het waarborgen van de uitvoering van het pensioencontract en de bewaking van het totale risicoprofiel. 

De meesten hier aanwezig hoeven niet overtuigd te worden van de betekenis van goed risicobeheer. Misschien heeft u vooral praktische vragen over het FTK: wanneer wordt het ingevoerd en wat betekent het voor uw verantwoordelijkheid als bestuurder? Wat zijn de praktijkervaringen tot nog toe met het FTK? Blijf gerust zitten, want ook deze thema´s komen vanmiddag uitgebreid aan bod.

Kernboodschappen

Ik wil eerst ingaan op het belang van een sterk en duurzaam toezichtkader. Centraal in mijn betoog staan twee boodschappen aan u als bestuurders.

  • Als toezichthouder wil ik benadrukken dat het FTK een belangrijke bijdrage gaat leveren aan goed risicobeheer van uw fonds. Het FTK biedt daarbij zicht op de kostendekkende premie, schept duidelijkheid over de premiekortingsgrens en is toekomstgericht. 
  • Als centraal bankier hecht ik aan de stabiliteit van ons financiële stelsel. Dat heeft vertrouwen als pijler. Daarom hecht DNB veel waarde aan het voorkomen van inkomenserosie door inflatie. In die rol wil ik u oproepen uw beleid niet slechts te richten op de minimumeisen die de wet stelt en die de toezichthouder toepast, maar op een niveau hierboven. Dat biedt ook voordelen waar ik later op in zal gaan.
  • En op het snijvlak van beide rollen heb ik een oproep voor de vertegenwoordigers van het maatschappelijk belang. Om recht te doen aan een evenwichtige belangenbehartiging van huidige en toekomstige pensioendeelnemers, moet niet alleen door de bril van de huidige laagconjunctuur naar het toezichtkader worden gekeken. Kaders moeten worden beoordeeld in een structureel perspectief. Anders bestaat het gevaar dat korte termijn belang, structureel gewenste kaders ondermijnt.   

FTK en maatschappelijke discussie geplaatst in historisch perspectief

Over het toezicht op pensioenfondsen vindt een maatschappelijke en politieke discussie plaats. Het is van belang om deze discussie in de juiste context te plaatsen. Strenge toezichtregels worden door sommigen gezien als een voorname oorzaak van de conjuncturele ontwikkeling. Men stelt zich vervolgens de vraag of de ´hoge´ veiligheidsnormen die door het FTK worden opgelegd niet verlaagd moeten worden. 

Dit is evenwel kort door de bocht. Achteraf is het altijd makkelijk praten en de problemen af te schuiven op de pensioenfondsen, de toezichthouder, of de beurscrash. Maar het beeld is genuanceerder. Hiervoor moet ik terug naar de periode voordat de financiële spanningen in het pensioenstelsel zichtbaar waren. Zo stonden pensioenfondsen er in de jaren ´80 en aan het begin van de jaren ´90 comfortabel voor, maar leidde dit tot grote politieke en maatschappelijke druk. Het beeld over de positie van de fondsen is toen ook, bijvoorbeeld omdat we geen FTK en ook geen indexatiematrix hadden, te rooskleurig voorgesteld. We hebben immers in Nederland lang gedaan alsof we kapitaalgedekte pensioenen hadden, terwijl we eigenlijk alleen het nominale deel echt kapitaalgedekt hadden. De indexatie moest komen uit premieopslag in de toekomst, of uit positieve, zo niet meevallende, beleggingsresultaten. Mede door dat vertekende beeld was er ruimte om in 1989 een wetsvoorstel in te dienen, dat pas vorig jaar werd ingetrokken, dat beoogde de vorming en instandhouding van structurele vermogensoverschotten bij pensioenfondsen tegen te gaan. Dat waren nog eens tijden! Maar dit legde wel een druk op pensioenfondsen om vooral geen (substantiële) vermogensoverschotten te laten ontstaan en pensioenpremies te verlagen.

Naast de dreigende afroming van vermogensoverschotten door de overheid, legden afspraken tussen kabinet en sociale partners ook druk op het premiebeleid. Eind 1997 hebben de Stichting van de Arbeid en het toenmalige kabinet het Convenant inzake arbeidspensioenen, over kostenbeheersing, modernisering en toegankelijkheid van pensioenregelingen, afgesloten. Het doel: ten hoogste gelijkblijvende lasten op macroniveau. Voor een tweede probleem werd toen de kiem gelegd. Het accent kwam, ten onrechte, te liggen op de beheersing van premielasten, in plaats van op de beheersing van de kostprijs van het pensioen. Pensioenregelingen zijn vervolgens in kwaliteit verbeterd zonder dat zichtbaar werd gemaakt dat dan uiteraard ook de kostprijspremie stijgt. Tegelijkertijd verleenden veel pensioenfondsen premiekortingen en sommigen zelfs premierestituties. Er waren zelfs fondsen die maar een derde van de kostendekkende premie in rekening brachten. Zij hadden anno 2005 vele miljarden, gezamenlijk tientallen miljarden, meer in kas gehad als premiekortingen waren beperkt door wat nu de “premiekortinggrens” heet. En in de tussentijd hebben we er onvoldoende oog voor gehad dat al vanaf 1994 de kans afnam dat onze pensioenen uit het ingelegde vermogen konden worden geïndexeerd. 

Voor de eeuwwisseling was de teneur “het gaat goed, geen zorg en als het tegenvalt verhogen we de premies”. Vandaag worden we geconfronteerd met de werkelijke pensioenkosten en blijkt sprake van achterstallig onderhoud. Gelukkig hebben we vanaf 2002 het roer stevig omgegooid. Premies zijn verhoogd en sponsoren hebben extra bijdragen gestort. En dat in tijden van laagconjunctuur, zodat enige procylische werking niet was te vermijden. Dit is een ongemakkelijke situatie. Voor de deelnemers, vanuit de invalshoek van het prudentieel toezicht, en vanuit het perspectief van de financiële stabiliteit. Toch is het goed dat we het hebben gedaan. Met maatwerk, zoals beloofd, en in een beheerst tempo. Ik denk niet dat nu nog iemand zou willen verdedigen dat “niksdoen” de betere optie was geweest. 

Belangrijke elementen in FTK om herhaling te voorkomen

We moeten ons inspannen om te voorkomen dat in de toekomst opnieuw zo´n situatie van achterstallig onderhoud ontstaat. Mijn stellige overtuiging is dat, al zal het werk nooit af zijn, het FTK daar een belangrijke bijdrage aan kan leveren. Om dat te illustreren volg ik met u het volgende gedachte-experiment: zouden de problemen ook zo groot zijn geweest als het FTK in de jaren ´90 zou zijn ingevoerd? Het antwoord is duidelijk: nee. Ik noem drie redenen waarom de problemen kleiner zouden zijn geweest. 

Ten eerste zou risico marktconform beprijsd zijn door meer transparantie en consistentie tussen de waardering van beleggingen en verplichtingen. Dit had de beurscrash natuurlijk niet voorkomen, maar pensioenfondsen zouden zich meer bewust zijn geweest van de werkelijke omvang van de reserves en de risico´s. Dit had ze geprikkeld voorzichtiger te zijn. Pensioenfondsen hebben bij de uitbreiding van hun aandelenbezit onvoldoende aandacht besteed aan de risico´s. Door de verschillende looptijden van de beleggingen en verplichtingen ontstaat een rentegat, waardoor een rentemutatie verschillend doorwerkt in deze balansposten. Bovendien, aandelen hebben naast een hoger verwacht rendement ook een hoger risico. Binnen het FTK worden deze risico´s zichtbaar en moeten buffers worden aangehouden om de kans op onderdekking, als gevolg van deze beleggingsrisico´s, binnen aanvaardbare grenzen te houden.

Ten tweede zouden fondsen en andere relevante spelers beter oog hebben gehad op de kostendekkende premie. Daarmee zouden de kosten van pensioen ook voldoende aandacht hebben gekregen in het pensioenbeleid. Pensioenverruimingen als vroegpensioen zouden niet zijn beschouwd als een ´free lunch´. Het pensioencontract, en niet de financieringsopzet, bepaalt immers de kostprijs.

Ten derde maar zeker niet het minst belangrijke: de premiekortingsgrens. Met invoering van het FTK in de jaren negentig had premiekorting alleen plaatsgevonden als er een adequate risicobuffer was én de indexatie-ambitie naar verwachting waargemaakt had kunnen worden. 

Kortom, het FTK had de werkelijke prijs van pensioen zichtbaar gemaakt en had fondsen en andere relevante spelers aangespoord prudent om te gaan met premies, buffers en pensioenrechten. Het had ook steeds kunnen laten zien hoe groot de kans was dat de pensioenen geïndexeerd kunnen worden. Dit had bijgedragen aan een minder procyclisch gedrag tijdens zowel de hausse van de jaren ´90, als de baisse van de afgelopen jaren. De discussie vandaag zou een heel andere zijn geweest.

Kijk vooruit!

Tot zover de historie. U weet dat ik dit mooie materie vind voor een toekomstig proefschrift. Ik kijk met u liever vooruit. Pensioenen zijn een zaak van lange adem, en dus vooral een zaak van de toekomst. En omdat je die niet kunt voorspellen zal veel afhangen van ons vermogen in te spelen op de veranderingen die vast en zeker op ons afkomen. We zijn beland in het jaar 2005. Niet in de laatste plaats stel ik met genoegen vast dat u als bestuurders en sociale partners zich krachtig heeft ingezet voor een herstel van de financiële positie van de fondsen. Het aantal fondsen dat volgens de traditionele rekenwijze nog een dekkingstekort had, is teruggelopen van 190 eind 2002 naar 8 ultimo 2004. De vermindering van het aantal fondsen met herstelplannen sedert 2002 is bereikt door een veelheid aan maatregelen, zoals premieverhogingen, sponsorbijstortingen, aanpassing van het indexatiebeleid, wijziging van het beleggingsbeleid en aanpassing van de pensioenregeling. Vooral de snelle opmars van het middenloon lijkt een structurele verbetering. Het Nederlandse pensioenstelsel heeft, met deze snelheid en diepgang van de aanpassingen, laten zien wat het waard is. We moeten ook niet vergeten dat de gematigde loonontwikkeling en de positieve beleggingsresultaten in 2003 en 2004 een belangrijke rol hebben gespeeld. De kosten van het herstel “na 2002” zijn nu wel over hun hoogtepunt heen. Een enkel fonds, sommigen kwamen van ver, zet nu de laatste stap naar het bereiken van de kostprijspremie. Maar in het algemeen betalen de herstelplannen zich uit. Wie klaar is met het betalen van herstelpremies krijgt ruimte. Ook de overstap op het FTK biedt ruimte. En de Wet VPL geeft een neerwaartse impuls op de pensioenpremies; een pensioenrichtleeftijd van 65 is nu eenmaal substantieel lager dan een vóór 65. Dus, wat het herstel en de premies betreft eigenlijk goed nieuws.

De lage rente is de volgende uitdaging. Verwacht van DNB geen voorspelling over de renteontwikkeling. De rentegevoeligheid verschilt ook erg per pensioenfonds, afhankelijk van de gemaakte keuzen. Juist het FTK en de mogelijkheid voor gestabiliseerde premies bieden ruimte voor enerzijds een scherpe analyse van de risico´s, en anderzijds voor een beheerste respons. Continuïteitsanalyses op fondsniveau kunnen beter inzicht geven in die gevoeligheden. Wie heeft gekozen of wil kiezen voor een model met stabiele “gesmoothde” premies, heeft op korte termijn minder problemen dan wie op het scherpst van de snede voor de laagst mogelijke, en dus volatiele, premies heeft gekozen. Als de rente echt duurzaam laag zal blijven, dan zal dat ook doorwerken in pensioenkosten, maar zeker niet alleen daar.

FTK-invoeringsdatum

Het FTK wordt ingebed in de nieuwe pensioenwetgeving, maar zou op grond van de huidige wet al verplicht gesteld kunnen worden voor ieder fonds. We hebben de afgelopen maanden met vertegenwoordigers van alle betrokkenen gesproken over de diverse opties. DNB is, met SZW, voorstander van een zorgvuldige invoering. Ik vind het een goede zaak dat zoiets fundamenteels als het FTK onderwerp is van een open parlementaire discussie. De stand van zaken overziende. Het debat in de Tweede Kamer is nu nog niet zover afgerond dat een verplichte invoering van het FTK per 1 januari 2006 met een nette invoeringstermijn haalbaar is. Ik denk dat iedereen een regimewisseling halverwege het jaar niet wenselijk acht. Daarom hebben we besloten dat het FTK pas per 1 januari 2007 voor een ieder van u verplicht van toepassing zal zijn. 

Net als in 2005, geldt dus ook in 2006 het FTK-overgangsregime. Een aantal fondsen is inmiddels vrijwillig overgestapt op dit overgangsregime. Ik zou u in overweging willen geven om ook deze stap te zetten. We hebben vanmiddag daarom ook een ervaringsdeskundige uitgenodigd: de heer Kuijsten van Stichting Philips Pensioenfonds. Hij zal u iets vertellen over de praktijk van het FTK. Overigens zullen in 2006 belangrijke bouwstenen van het FTK-denken, zoals de indexatiematrix, de kostendekkende premie en de premiekortingsgrens, al zoveel mogelijk worden meegenomen in het uitvoerende toezicht. En zeker zullen we u vragen hoe een “langdurig-lage-rente scenario” er voor uw fonds uitziet.

Accent op stuurvermogen

Sommige elementen van het FTK zijn thans onderwerp van discussie. Bijvoorbeeld de éénjaarshersteltermijn bij een situatie van onderdekking. Een discussie waarvan ik hoop dat hij niet gevoerd hoeft te worden. Sommigen vinden dat deze termijn structureel moet worden verlengd. Dit ondermijnt echter ons kapitaaldekkingstelsel en leidt tot een verschuiving richting een omslagstelsel. Pensioentoezeggingen zijn dan niet gedekt. Bovendien zou deze aanpak betekenen dat pensioenrechten eroderen. Gedurende de herstelperiode staat de indexatie onder druk; in menig herstelplan wordt ook de ruimte voor indexatie aangewend om het herstel te financieren en worden deelnemers en toetreders over een langere termijn opgezadeld met inhaalpremies en het risico van korting op rechten boven de korting die voortvloeit uit het niet indexeren, wat de arbeidsmobiliteit kan belemmeren. Ik wil hierover verder kort zijn, en verwijzen naar de heldere uitspraken van Wellink, afgelopen donderdag op ons symposium over vertrouwen. En voor wie er niet bij was: Het probleem speelt voor de meeste fondsen niet, en de meerderheid wil geen lang herstel. Voor IFRS rapportages helpt het ook niet.

Wat ik zie is dat sponsoren van pensioenfondsen onder druk staan van aandeelhouders om niet langer garant te staan voor de aanvullingen van pensioentekorten. Een tendens die overigens wordt versterkt door de nieuwe boekhoudregels (IFRS). Deze ontwikkelingen betekenen dat een sterke financiële positie van de fondsen in combinatie met een verstandig risicobeheer nog belangrijker zijn geworden om een goed pensioen te kunnen blijven aanbieden aan pensioendeelnemers. Het FTK helpt daarbij. Dat raakt een aspect dat ik mis in veel discussies over het FTK: een duurzame invalshoek. De discussies over het kader vinden veelal plaats in de context van de huidige conjuncturele haperingen, terwijl het FTK juist een normatief toetsingskader is dat voor de lange termijn is ontworpen. Daarom ook de oproep de korte termijn niet bepalend te laten zijn voor wat we op de lange termijn terugwillen. Ik zeg dit ook om tegengas te geven ten opzichte van gedachten alsof we geen andere keus hebben dan het Nederlandse pensioensysteem te ontmantelen. Om het wat specifieker te zeggen. Collectieve systemen hebben, sociaal èn economisch, zin. En DB systemen blijven goed mogelijk, zeker als ze worden afgerond met DC achtige elementen voor bijvoorbeeld indexatiedekking.

Toch nog een enkel woord over herstelplannen en maatwerk. Let wel, er is geen discussie dat, als er een algemene oorzaak is, die behalve algemeen ook groot en ingrijpend is, de toezichthouder met maatwerk soelaas biedt. Ook na 2002 hebben we dat, met elkaar, zo gedaan. Maar dat is wat anders dan de reactie van de toezichthouder als een bewust gelopen risico zich ook voordoet. Het bewust opzoeken van een niet op te vangen risico moet immers niet worden gestimuleerd met de gedachte dat anderen eventuele problemen wel oppakken. Het opzoeken van onderdekking – in andere woorden - mag geen beleidsoptie zijn.

Het risico van nieuwe tegenslagen mogen we niet bagatelliseren, want ze kunnen zich voordoen. Het recente verleden leert ons dat ALM-studies te veel accent hebben gelegd op de positieve scenario’s. Negatieve scenario´s waren aanwezig, maar werden als weinig realistisch ter zijde geschoven. Laat staan dat veel aandacht uitging naar de impact van zo´n scenario. Maar de ervaring leert dat negatieve scenario´s ook werkelijkheid kunnen worden en dat de impact op de financiële positie van pensioenfondsen dan substantieel is. Vandaar dat het FTK het mogelijk maakt de accenten in sturing en toezicht van een beoordeling van het verleden te verschuiven naar een flexibele blik op de toekomst. Continuïteitsanalyse + kostendekkende premie + premiekortingsgrens, daar komt het op neer. En daarbij speelt een beoordeling van het sturingsvermogen van uw fonds straks een veel zwaardere rol dan de beoordeling van de stand van zaken op één moment. 

Pensioenfondsbestuurders dienen duidelijk voor ogen te hebben wat de consequenties zijn van een ongunstig scenario en hoe het fonds daarmee kan en wil omgaan, gezien de aard van de verplichtingen. Wij leven niet in een wereld waar alles automatisch weer op z´n pootjes terechtkomt. Rendementen kunnen langdurig laag zijn. De rente zou laag kunnen blijven. Anders gezegd, het is in het belang van uw deelnemers dat u voldoende rekening houdt met de neerwaartse risico´s. U bent verantwoordelijk voor het waarmaken van de pensioentoezegging. Pensioendeelnemers zijn voor een belangrijk deel van hun toekomstig inkomen afhankelijk van de keuzes die u maakt, en die u zeker ook transparant wilt verantwoorden.

Indexatie

Zo kom ik op mijn laatste punt: indexatie. Indexatie zorgt ervoor dat de koopkracht van opgebouwde rechten en ingegane pensioenen op peil blijft. En daar wil ik graag wat over zeggen, vanuit mijn twee verschillende rollen. Ten eerste als toezichthouder. In die rol respecteer ik uw verantwoordelijkheid: u maakt uw eigen keuzes. Daarom ben ik erg blij met de indexatiematrix. Deze geeft u beleidsruimte om een keuze te maken die aansluit bij de wensen van uw deelnemers en het risicoprofiel en financiële opzet van uw fonds. Het prikkelt u om zich te beraden op de ambities, en wij kijken of u die financieel kunt waarmaken. Het dwingt u daarover open en eerlijk te communiceren richting deelnemers. Mijn taak als toezichthouder, en straks ook die van collega Docters van Leeuwen, is om er op te letten dat u dit alles volledig en zorgvuldig doet.

Maar tegelijkertijd heb ik een tweede rol: als centraal bankier. Een centraal bankier maakt zich sterk voor de stabiliteit van de financiële sector. Een betrouwbaar financieel stelsel is één van de belangrijkste voorwaarden voor onze welvaart. Alle deelnemers aan het economisch verkeer vertrouwen er op dat geld zijn waarde behoudt. Voor pensioendeelnemers geldt hetzelfde: zij vertrouwen er op dat hun rechten en uitkeringen waarde behouden. En zij hebben geen vrije keuze voor een pensioenfonds. Voor hen is koopkrachtbehoud een groot goed. Als in de afgelopen 15 jaar met een gemiddelde inflatie van 2,6 procent niet was geïndexeerd, was de koopkracht met een derde afgenomen. Voor gepensioneerden, die niet de mogelijkheid hebben om inkomensverlies met arbeidsinzet te compenseren, komt een dergelijke sluipende uitholling hard aan. De meeste pensioenfondsen hebben daarom de ambitie om opgebouwde rechten en ingegane pensioenen te indexeren. Het staat sociale partners als onderdeel van de “pension deal” vrij om zelf deze ambitie te bepalen, maar iedereen moet zich goed realiseren, dat de waarde van het pensioen fors wordt uitgehold als de indexatie onvolledig is. Voor zover welvaartsvast een te hoog streven blijkt te zijn, is waardevast toch zeker te ambiëren. Daarbij kan worden aangesloten bij de ECB-inflatiedoelstelling van 2%. Daar zou een pensioenfonds zijn indexatie-ambitie minstens op moeten richten. In dit verband past de oproep van minister De Geus dat het beleid van een fonds er op gericht dient te zijn structureel op en boven de evenwichtssituatie te zitten. De kans op een geïndexeerd pensioen wordt dan groter, de kans op onderdekking wordt kleiner, de premievolatiliteit neemt af en de bijdrage aan financiële stabiliteit neemt toe. Risico´s kunnen immers op de balans worden opgevangen.

Afronding

Ik rond af. Het FTK maakt pensioenen niet duur, en zeker niet duurder. Het geeft een goed instrumentarium voor risicobeheersing, en het voorkomt dat – intransparant -   risico´s worden verschoven. Naar de toekomst, en naar partijen die daarover niet voldoende zijn ingelicht. Het FTK laat zien dat een pensioen kost wat het kost, en geeft aan de fondsen ruimte om eigen keuzes te maken over risico´s en rendementsprofielen. Dat we vandaag bij elkaar zitten en actief, van beide zijden, gedachten en informatie uitwisselen is bijzonder nuttig. Ik stel het dan ook zeer op prijs dat u met zovelen bent gekomen. Dat stelt mij in staat om u te complimenteren met de grote inspanningen die u de afgelopen jaren heeft verricht om het pensioenstelsel weer gezond te krijgen. Dat biedt een gezond fundament voor vertrouwen. Ook onderkent u in toenemende mate het belang van goed risicobeheer. Meer dan ooit is duidelijk geworden dat negatieve scenario´s werkelijkheid kunnen worden. Het is voor uw deelnemers en daarom voor mij als toezichthouder uiterst belangrijk dat uw inspanningen worden voortgezet. Daarom ook dat u in 2006 al het FTK kunt toepassen, ook al wordt het in 2007 pas verplicht. Pensioenen vragen om een sterk toezichtkader   dat de belangen van pensioenrechthebbenden in goede én slechte tijden beschermt en dat pensioen niet nodeloos duur maakt. Zoals ooit Wim Duisenberg opmerkte: “Passende regelgeving ontmoedigt te risicovolle investeringsstrategieën die de levensstandaard van mensen in gevaar brengt tijdens een kwetsbare fase in hun leven.”