De DNB-conjunctuurindicator geeft inzicht in de conjuncturele vooruitzichten op de korte termijn. Anders dan de DELFI-ramingen, die de economische ontwikkelingen op de middellange termijn (2 tot 3 jaar vooruit) voorspelt, heeft de DNB-conjunctuurindicator tot doel omslagen in de Nederlandse conjunctuur te signaleren. Daarbij kan maximaal zeven maanden vooruit worden gekeken.
Realisatie en voorspelling
De DNB-conjunctuurindicator bestaat uit twee reeksen: de realisatie van de conjunctuur en de verwachte ontwikkeling daarvan in de nabije toekomst. De realisatie van de conjunctuur is gebaseerd op de maandelijkse cijfers van de industriële productie. Door zijn internationale oriëntatie is de industrie een belangrijke graadmeter voor de Nederlandse conjunctuur, die in grote mate wordt beïnvloed door de internationale omgeving. De indicator van de toekomstige conjunctuur is samengesteld op basis van consumenten- en producentenenquêtes, financiële indicatoren en indicatoren voor de uitvoer (voor een technische beschrijving van de laatste herziening van de DNB-conjunctuurindicator, zie link naar de ESB-site).
Conjunctuurfases
De DNB-conjunctuurindicator onderscheidt vier conjunctuurfases. Na een conjuncturele piek volgt een fase van afkoeling. In deze fase is de economische groei lager dan het potentiële groeitempo (de groei die de economie over een lange termijn gemiddeld kan volhouden), maar ligt de economische activiteit nog wel boven zijn trendmatige niveau. Zodra de indicator onder dit trendmatige niveau komt, begint de fase van laagconjunctuur. Deze fase eindigt in een conjunctureel dal waarna de economie in de herstelfase komt. Tijdens de herstelfase is de economische groei hoger dan het potentiële groeitempo, maar ligt de economische activiteit nog onder zijn trendmatige niveau. Zodra de economie hier weer boven komt, begint de fase van hoogconjunctuur. Deze fase eindigt in een conjuncturele piek, waarna de cyclus weer van voren af aan begint.