Toetsingsvermogen

Relevant voor
bo, cl, ki
Geldigheid
geldig 
Status
Factsheet

Banken, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen, beheerders van een instelling voor collectieve belegging in effecten en elektronischgeldinstellingen moeten voldoende buffervermogen aanhouden om eventuele verliezen op te vangen: toetsingsvermogen of aanwezige solvabiliteit. Het niveau van de aanwezige solvabiliteit wordt uitgedrukt in een percentage van de naar risico gewogen activa: de solvabiliteitsratio, die ook wel BIS-ratio wordt genoemd. De minimum solvabiliteitsratio is acht procent.

De erkenning van bepaalde vormen van vermogen als toetsingsvermogen is afhankelijk van het voldoen aan kwaliteitsaspecten. Het gaat hier onder meer om de mogelijkheden om verliezen te absorberen in het lopende bedrijf, dan wel bij faillissement en de permanentie van het vermogen. Op de financiële markten worden regelmatig nieuwe hybride vermogensinstrumenten ontwikkeld om de vereiste solvabiliteit te financieren met minimale kosten. De CRD en het Bazel II Raamwerk, aangevuld met een perscommuniqué over hybride instrumenten uit 1998, leggen de basis voor de nationale regelgeving voor het al dan niet erkennen van deze instrumenten als toetsingsvermogen. Deze regelgeving bevat kwalitatieve en kwantitatieve criteria. De Nederlandse implementatie staat in de artikelen 89 – 94 van het Besluit prudentiële regels Wft en de Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen (op basis van artikel 89 van het Besluit prudentiële regels Wft).

Bestanddelen toetsingsvermogen

De indeling van het toetsingsvermogen in categorieën van bestanddelen is gebaseerd op de mate waarin aan de gestelde kwaliteitscriteria wordt voldaan. De volgende categorieën worden onderscheiden:

Kernkapitaal
Kernkapitaal, ook wel genoemd tier 1 kapitaal, heeft de hoogste kwaliteit. Dit omdat er geen contractuele verplichting is om af te lossen (permanentie) en er geen belemmeringen zijn om eventuele verliezen ten laste van dit vermogen te brengen. Ook is er geen verplichting om dividendbetalingen te doen of andere vergoedingen te verstrekken. Hoofdbestanddelen van het kernkapitaal zijn het gewone aandelenvermogen, de gepubliceerde reserves en, voor zover aanwezig, het fonds voor algemene bankrisico's. Deze hoofdbestanddelen worden in onbeperkte mate in de berekening van het kernkapitaal betrokken.
Hybride vermogensinstrumenten, met elementen van eigen vermogen en van schuld, kunnen onder bepaalde voorwaarden en in beperkte mate tot het kernkapitaal worden gerekend. Hybride instrumenten worden nader onderscheiden op basis van hun innovatieve karakter, dat wil zeggen of er wel of geen specifieke voorwaarden aan verbonden zijn die een stimulans zijn om vervroegd af te lossen. Ten minste de helft van het kernkapitaal dient uit genoemde hoofdbestanddelen te bestaan, terwijl het hybride kernkapitaal-met-een-aflossingsstimulans beperkt is tot vijftien procent. 

Aanvullend kapitaal
Aanvullend kapitaal, ook wel genoemd tier 2 kapitaal, is verdeeld in twee subcategorieën: hoger aanvullend en lager aanvullend kapitaal (upper tier 2 en lower tier 2). Onder hoger aanvullend kapitaal vallen cumulatief preferente aandelen met onbepaalde looptijd, schulden met een onbepaalde looptijd en herwaarderingsreserves. Lager aanvullend kapitaal bestaat uit langlopende achtergestelde schulden. Schulden onder het lower tier 2 met een contractuele resterende looptijd korter dan vijf jaar tellen in aflopende mate mee in het toetsingsvermogen(afbouwregeling). Het totale in aanmerking te nemen tier 2 kapitaal dient kleiner te zijn dan of gelijk te zijn aan het tier 1 kapitaal. Het lower tier 2 kapitaal mag niet meer bedragen dan vijftig procent van het tier 1 kapitaal. Elektronischgeldinstellingen mogen alleen hoger aanvullend kapitaal meetellen.

Overig kapitaal
Overig kapitaal, ook wel genoemd tier 3 kapitaal, betreft kortlopende achtergestelde leningen die onder bepaalde voorwaarden en gelimiteerd mogen meetellen als toetsingsvermogen ter dekking van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico. Beheerders van een instelling voor collectieve belegging in effecten en elektronischgeldinstellingen mogen geen overig kapitaal meetellen. 

Eensporige verslaggeving, aftrekposten en prudentiële filters
Uitgangspunt bij de berekening van het toetsingsvermogen is de jaarrekening van een bank of beleggingsonderneming. Eensporige verslaggeving betekent dat met één set van regels voor waardering en resultaatbepaling zowel de jaarrekening als de prudentiële toezichtrapportage kunnen worden opgemaakt. Dit ter beperking van de administratieve lasten van het toezicht. Echter, in een aantal gevallen brengt de toezichthouder correcties aan op de jaarrekeningcijfers. Dat zijn zogenoemde aftrekposten en prudentiële filters die ongewenste gevolgen voor de berekening van het toetsingsvermogen beperken of elimineren. Aftrekposten en prudentiële filters hebben dan ook directe invloed op de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen. 

Zo zijn er aftrekposten op:

  • het kernkapitaal (bijvoorbeeld immateriële activa waaronder betaalde goodwill),
  • het kernkapitaal en het aanvullend kapitaal, de zogenoemde 50:50-aftrekposten (bijvoorbeeld grotere niet meegeconsolideerde deelnemingen in banken en beleggingsondernemingen), en
  • het totale toetsingsvermogen (bijvoorbeeld de deelnemingen in verzekeringsmaatschappijen).

Prudentiële filters zijn specifieke correctieposten die bij de invoering van IFRS-regels voor de jaarrekening zijn ingevoerd met het doel om sommige gevolgen van de uitbreiding van waardering op marktwaarde te corrigeren. Een andere filter die bepaalde, bij de overgang op IFRS door herclassificatie tot de immateriële activa gerekende, activaposten uitsluit van solvabiliteitsaftrek, is neergelegd in een aparte Regeling uitsluiting solvabiliteitsaftrek immateriële activa.

15 februari 2008

00278

Terug naar boven