Pensioenwet

Relevant voor
pf, vz
Geldigheid
geldig 

Hoofdlijn

Hoewel met de Pensioenwet (Pw) geen fundamentele wijzigingen worden aangebracht in de principes die aan het Nederlandse pensioenstelsel ten grondslag liggen, wil dit niet zeggen dat de Pw niet tot veranderingen leidt. Die wijzigingen zijn het gevolg van de wens het stelsel te moderniseren en aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen in het pensioenbeleid.

Het vergroten van de transparantie loopt als een rode draad door de Pw:

  • een heldere verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder;
  • transparantie van pensioenuitvoerder naar deelnemer (voorlichting);
  • met het in de Pw opgenomen Financieel Toetsingskader (FTK) meer en beter inzicht in de soliditeit van pensioenfondsen; 
  • heldere verantwoordelijkheidsverdeling binnen pensioenfondsen (Pension Fund Governance).


De Pw introduceert een meer risicogebaseerd toezicht, gericht op consistentie tussen de inhoud, financiering en uiteindelijke realisatie van het pensioen. Daarbij krijgt het FTK voor pensioenfondsen een wettelijke basis. Uitgangspunt van het FTK is marktwaardering, zowel voor de verplichtingen als de bezittingen. Tegenover de verplichtingen van een pensioenfonds moeten bezittingen staan van minimaal gelijke hoogte. Daarbovenop moet een fonds een buffer aanhouden, dat in de Pw het vereist eigen vermogen wordt genoemd. Het FTK is nader uitgewerkt in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Inhoudelijke wijzigingen

De belangrijkste wijzigingen die de Pw met zich meebrengt, zijn de volgende.
De Pw introduceert drie typen pensioenovereenkomsten:

  • de uitkeringsovereenkomst;
  • de kapitaalovereenkomst; 
  • de premieovereenkomst.


Alle pensioenovereenkomsten zullen het karakter van één van deze drie overeenkomsten moeten hebben: pensioenovereenkomsten die niet binnen één van deze varianten vallen, zijn niet toegestaan.
De in de Pw gehanteerde definities van pensioen en pensioenfonds zorgen ervoor dat:

  • op zichzelf staande toeslagfondsen niet meer mogelijk zijn;
  • eenmansfondsen niet meer mogelijk zijn;
  • spaarfondsen niet meer mogelijk zijn.


De Pw introduceert een maximale toetredingsleeftijd van 21 jaar. Wanneer een werkgever een pensioenregeling voor zijn werknemers heeft, moet hij deze aan werknemers vanaf 21 jaar aanbieden. Deze grens lag onder de Pensioen- en spaarfondsenwet op 25 jaar. De mogelijkheden voor pensioenuitvoerders om kleine pensioenen af te kopen zijn vereenvoudigd.

Nieuwe begrippen

De Pw introduceert in een aantal gevallen nieuwe begrippen (hiermee worden geen inhoudelijke wijzigingen beoogd):

  • de pensioentoezegging heet voortaan "pensioenovereenkomst";
  • de financieringsovereenkomst heet voortaan "uitvoeringsovereenkomst"; 
  • de Pw spreekt van een "pensioenuitvoerder" wanneer bedoeld worden een ondernemingspensioenfonds, een bedrijfstakpensioenfonds of een verzekeraar. De pensioenuitvoerder moet goed worden onderscheiden van de organisatie aan wie een fonds of verzekeraar werkzaamheden heeft uitbesteed, dergelijke organisaties worden ook wel pensioenuitvoeringsorganisaties genoemd;
  • de Pw introduceert definities van ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen en nabestaandenpensioen.

1 januari 2007

pw020

Terug naar boven