Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

18 mei 2016 Algemeen
Toorop vanaf de waterkant

De Europese autoriteit voor het verzekeringstoezicht, EIOPA, houdt op dit moment een consultatie over de bepaling van de ultimate forward rate (UFR) voor verzekeraars, de rekenrente voor het contant maken van verplichtingen op de lange termijn. DNB is lid van EIOPA en zet zich in voor ‎een methode die beter aansluit bij de economische realiteit, in lijn met de Nederlandse UFR-methode voor pensioenfondsen.

UFR in de huidige lage renteomgeving

Het toezichtkader voor verzekeraars maakt gebruik van een zogenoemde ultimate forward rate (UFR). Deze UFR is onderdeel van de rentecurve waarvan verzekeraars gebruik mogen maken bij het contant maken van de verplichtingen op de lange termijn. Daarbij is de hoogte van de UFR (nu 4,2%) een op basis van berekeningen vastgesteld niveau waar de rentecurve voor looptijden langer dan twintig jaar naartoe groeit. Voor deze aanpak is gekozen omdat de markt voor financiële producten met zeer lange looptijden minder diep, liquide en transparant is, en dus te weinig informatie oplevert om uitsluitend uit te gaan van marktrentes.

Het verschil tussen de vastgestelde UFR van 4,2% en de lage marktrentes is de afgelopen jaren echter gestaag toegenomen. Hierdoor is het effect van de huidige lage renteomgeving op verzekeraars maar deels zichtbaar in hun financiële rapportages en geeft de solvabiliteitspositie van verzekeraars een te rooskleurige weergave van hun financiële situatie.

De Europese autoriteit voor het verzekeringstoezicht, EIOPA, heeft dan ook een consultatie geopend om de meningen te peilen over een nieuwe methode om de UFR te bepalen. De impact van het rekenen met een nieuwe UFR kan voor Nederlandse levensverzekeraars relatief groot zijn omdat zij gemiddeld veel langlopende verplichtingen hebben.  

Voorstel EIOPA

De nieuwe methode die EIOPA in haar consultatie voorstelt, streeft naar een balans tussen enerzijds een stabiele UFR en anderzijds de noodzaak om de UFR aan te passen, in lijn met realistische lange termijn verwachtingen van rente en inflatie. In het huidige voorstel van EIOPA zou de UFR, op basis van de huidige marktomstandigheden, uitkomen op 3,7%, waarbij EIOPA een stapsgewijze aanpassing voorziet van maximaal 0,2%-punt per jaar. Hiermee komt het UFR-niveau iets dichter bij wat in Nederland momenteel van toepassing is voor pensioenfondsen; in tegenstelling tot de UFR voor verzekeraars, die Europees wordt vastgesteld, wordt de UFR voor Nederlandse pensioenfondsen namelijk in Nederland vastgesteld. 

Inzet DNB

DNB ondersteunt het streven van EIOPA naar een meer realistische methode om de UFR voor verzekeraars te bepalen, en daarbij vindt zij de Nederlandse UFR-methode voor pensioenfondsen de meest geschikte. Deze methode is in 2013 door de Commissie UFR vastgesteld als meest realistische manier om de rekenrente vast te stellen en is door het kabinet omarmd voor pensioenfondsen. In vergelijking met het EIOPA voorstel neemt de UFR-methode voor pensioenfondsen meer marktinformatie mee, ook voor langere looptijden. Hierdoor wordt beter rekening gehouden met onderliggende veranderingen in de economie. Hoewel tijdens de huidige consultatie enkel de bepaling van de hoogte van de UFR ter discussie staat, zal DNB er bij EIOPA voor pleiten om op termijn ook de andere aspecten met betrekking tot de UFR te herzien. Dit betreft de langste looptijd die nog net als liquide kan worden aangemerkt, het zogeheten laatste liquide punt (nu vastgesteld op 20 jaar). Het kiezen van een ‘later’ looptijdpunt vanwaar de rente toegroeit naar de UFR zal het verschil tussen de UFR en marktrentes verkleinen. Ook een langere convergentieduur (momenteel 40 jaar) zal het verschil tussen marktrentes en de UFR verkleinen.

Vervolgproces

Verzekeraars en andere belanghebbenden zijn tot 18 juli aanstaande in de gelegenheid om op bovenstaand voorstel te reageren. EIOPA zal in september een besluit nemen over de nieuwe methode. De huidige UFR blijft in ieder geval tot eind 2016 ongewijzigd om een onverstoorde overgang naar Solvency II zoveel mogelijk te waarborgen.