Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

10 november 2022 Algemeen
DNB kantoor jaren 70

De uitgangspositie van Nederlandse banken om zich te weren tegen de gevolgen van hoge inflatie verschilt op veel fronten van de situatie in de jaren zeventig en tachtig toen er ook sprake was van rap stijgende consumentenprijzen. Dit blijkt uit een DNBAnalyse waarin de kanalen waarlangs de hoge inflatie de bancaire sector kan raken inzichtelijk worden gemaakt.

De analyse maakt duidelijk dat de ruimte voor banken om kosten te besparen nu minder groot is dan toen. Daar staat weer tegenover dat een gelijkmatige stijging van de rente ditmaal juist een positief effect kan hebben op de rentemarge van banken. Hoe de winstgevendheid zich zal ontwikkelen zal ook sterk afhangen van het verloop van de reële rente die veertig jaar geleden sterk opliep met alle negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid en huizenmarkt van dien. Gezien de onzekerheden waarmee het huidige economische klimaat is omgeven, doen banken er goed aan hun kapitaalbuffers op orde te houden.  

Banken profiteerden van hogere nominale groei

Net als nu, werd de Nederlandse economie in de jaren zeventig en tachtig geraakt door grote inflatieschokken (zie figuur 1). Deze werden veroorzaakt door de twee oliecrises in 1973 en 1979.  Om de inflatie te compenseren probeerden bedrijven en werknemers hun afzetprijzen respectievelijk lonen te verhogen. De hoge inflatie ging dan ook gepaard met een hoge nominale groei - zo schommelde de nominale groei tot halverwege de jaren zeventig rond de 10%. Tegen de achtergrond van de hoge nominale groei - en de navenant hoge kredietvraag - verdrievoudigde de geaggregeerde balans van de Nederlandse bankensector over deze periode.

Grafiek 1 -Nederlandse inflatie (CPI)

Nederlandse inflatie (CPI)

Hoge inflatie leidde niet tot hogere kosten voor de banken

Banken worden net als andere bedrijven in hun bedrijfsvoering geraakt door toenemende kosten als gevolg van inflatie. Afhankelijk van de mate waarin banken in staat zijn deze hogere kosten door te berekenen naar hun klanten, leidt een hogere inflatie tot een verslechtering van de cost-to-income ratio (operationele kosten gedeeld door totale inkomsten). De gemiddelde cost-to-income ratio van Nederlandse banken nam begin jaren zeventig in eerste instantie licht toe, maar daalde na de eerste oliecrisis substantieel (van 72% naar 62%). Banken bleken in staat  om met name de relatieve loonkosten minder hard te laten oplopen dan de inkomsten (die sterk toenamen door de hoge vraag naar krediet). Ook vond er verdere consolidatie van de sector plaats. Het zal voor banken uitdagend zijn om de komende jaren eenzelfde efficiëntieslag te realiseren. Nederlandse banken kennen nu immers gemiddeld genomen lagere cost-to-income ratio's en het is maar de vraag of zij opnieuw kunnen profiteren van een hogere kredietvraag.

Rentemarges van banken stonden onder druk door verkrappend monetair beleid

Een hogere inflatie gaat vaak gepaard met hogere nominale rentes. Zo stegen rentes in de jaren zeventig en tachtig met enkele procentpunten per jaar. Rentes lagen bovendien op substantieel hogere niveaus dan nu het geval is (zie figuur 2).

Grafiek 2 - Nederlandse korte en lange rente

Nederlandse korte en lange rente

De rentemarge van banken (het verschil tussen de rente op deposito’s en andere financiering en de rente op leningen) stond in de jaren zeventig en tachtig sterk onder druk; de gemiddelde netto rentemarge van Nederlandse banken daalde van 2,5% naar 1,5%, om vervolgens in de jaren na de oliecrises relatief stabiel op 2% uit te komen (zie figuur 3).

Grafiek 3 - Gemiddelde netto rente marge (beide als % van balans) voor Nederlandse banken

Gemiddelde netto rente marge (beide als % van balans) voor Nederlandse banken

In tegenstelling tot de jaren zeventig en tachtig kan een gelijkmatige rentestijging de komende periode juist een positief effect hebben op de rentemarges van banken. De druk op de rentemarges die banken de afgelopen jaren ervaarden, als gevolg van het beperkt doorprijzen van negatieve rentes naar hun depositohouders en een relatief vlakke rentecurve, neemt immers af bij een gelijkmatige rentestijging. In hoeverre banken profiteren van de stijgende rentes zal afhangen van 1) het tempo waarin de hogere rentes hun leningenboek in lopen (afhankelijk van het volume aan nieuwe leningen, aflopende renteperiodes en rentederivaten) en 2) de mate waarin banken de rente op hun deposito’s moeten verhogen en met oplopende risicopremies op marktfinanciering geconfronteerd worden. In een scenario waarin rentes over korte periode fors doorstijgen, kunnen banken genoodzaakt zijn de rentes op hun deposito’s sneller te moeten verhogen dan waar zij bij hun kredietverlening (en rentemanagement) rekening mee hebben gehouden. In dergelijke scenario’s blijven de rentemarges onder druk staan.

Hogere inflatie en rentes leidden tot een toename van kredietrisico’s

Fricties in de doorwerking van inflatie - zoals het beperkt kunnen doorberekenen van hogere kosten door bedrijven en beperkte loonstijgingen voor gezinnen  – en een abrupte stijging van de rente kunnen resulteren in liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen bij bedrijven en huishoudens. In de jaren zeventig en tachtig leidden de twee oliecrises en de sterke renteverhogingen die hierop volgden (de reële rente steeg tussen 1975 en 1980 van -5% tot 5%), tot negatieve reële groei. Gedurende de beginjaren tachtig nam daarbij de werkloosheid sterk toe en daalden de huizenprijzen substantieel (-30%). In reactie op de verslechterende kwaliteit van de leningenportefeuille verhoogden banken hun voorzieningen voor slechte leningen (zie figuur 4). Waar de voorzieningen begin jaren zeventig nog op 0,1% van het balanstotaal lagen, namen deze na de eerste en met name de tweede oliecrisis substantieel toe. Begin jaren tachtig bereikten de voorzieningen een piek van 0,7% van het balanstotaal; hoger dan de niveaus ten tijde van bijvoorbeeld de financiële crisis in 2008/09 of de coronacrisis. De huidige voorzieningen liggen momenteel nog op een relatief laag niveau (0,05% van de balans). De economische effecten van hogere inflatie en rentes werken echter vertraagd door, waardoor een toename te verwachten is.

Grafiek 4 - Voorzieningen (als percentage van balans)

Voorzieningen (als percentage van balans)

Les  uit de jaren zeventig en tachtig: houd rekening  met ongunstige scenario's

De jaren zeventig en tachtig leren ons dat de gevolgen van inflatieschokken zich over een periode van enkele jaren kunnen materialiseren. Zo was het effect van de eerste oliecrisis in 1973 voor de bankensector (en economie) nog relatief gering en materialiseerden risico’s zich vooral enkele jaren na de tweede oliecrisis (1979).

Winstgevendheid, mede gedreven door hoge nominale groei en kostenbesparingen, vormde een belangrijk factor voor de banken om de uitdagende economische periode van de jaren zeventig en tachtig door te komen. Zo wogen de netto rente-inkomsten op tegen de substantiële voorzieningen die banken moesten treffen en stelde deze de banken in staat hun (absolute) kapitaalpositie uit breiden wat vereist was om de balansuitbreiding te realiseren en aan de hoge kredietvraag te voldoen.

De onzekere vooruitzichten onderstrepen het belang van voldoende hoge kapitaalbuffers (Zie  ook  het recente OFS van DNB). Alhoewel een geleidelijke stijging van rentes in beginsel positief kan uitwerken op de winstgevendheid van Nederlandse banken en zij momenteel relatief goed gekapitaliseerd zijn, zouden banken bij het maken van projecties van hun kapitaalpositie ook rekening moeten houden met meer ongunstige scenario's, waarin bijvoorbeeld rentes snel en fors oplopen en kredietverliezen fors toenemen.