Intragroepposities

Nieuwsbericht
Datum 10 april 2015

DNB ziet dat in de eLine-rapportage de intragroepposities niet of onjuist worden verantwoord. Daarom gaat DNB hieronder in op intragroepposities en wanneer deze posities verminderd moet worden van het CET1 kapitaal.

Peilstok

Het toezicht op intragroepposities, tussen een onder toezicht staande beleggingsonderneming die deel uitmaakt van een groep en andere entiteiten van die groep, heeft tot doel te voorkomen dat door risicovolle intragroepposities de solvabiliteit van de beleggingsonderneming in gevaar komt. 

Intragroepposities kunnen risicovol zijn omdat daarbij mogelijk sprake is van belangenconflicten, of er kunnen zich besmettingsrisico’s voordoen tussen de verschillende groepsentiteiten. Daarnaast kunnen intragroepposities ook leiden tot ‘kasrondjes’. Het vermogen van een instelling moet voldoen aan de eisen met betrekking tot verliesabsorptie om te kunnen meetellen als toetsingsvermogen.

Bij de bepaling van de hoogte van het aanwezige toetsingsvermogen van een instelling, dient vastgesteld te worden welke instrumenten kwalificeren als Common Equity Tier 1 kapitaal (CET1 kapitaal) en welke aftrekposten op deze instrumenten van toepassing zijn. Artikel 26 CRR beschrijft welke instrumenten kwalificeren als CET1 kapitaal en geeft in de laatste alinea van het eerste lid een belangrijk criterium waar (een deel van) de instrumenten aan moet voldoen. De instrumenten moeten te allen tijde onbeperkt en onmiddellijk beschikbaar zijn voor de instelling. Als dit niet het geval is, kunnen deze instrumenten geen verliezen absorberen en tellen ze ook niet mee voor de berekening van het CET1 kapitaal van de beleggingsonderneming. Het is aan de onderneming om aan te tonen dat de instrumenten hier aan voldoen. Als dit onvoldoende wordt aangetoond aan de toezichthouder, mogen de instrumenten niet worden meegenomen in de berekening van het aanwezige CET1 kapitaal.

Artikel 28 CRR stelt aanvullende criteria waaraan de instrumenten, genoemd in artikel 26 CRR, moeten voldoen. Artikel 28, eerste lid, punt b, geeft aan dat de instrumenten niet direct of indirect gefinancierd mogen worden door de onderneming. Indien door DNB vastgesteld wordt dat de instrumenten wel door de onderneming (direct of indirect) gefinancierd zijn, tellen deze instrumenten niet mee in de bepaling van het aanwezige toetsingsvermogen. Hierbij wordt nadrukkelijk ook de situatie van financiering achteraf bedoeld, maar ook financiering via een derde of gerelateerde entiteit.

Nadat vastgesteld is of de instrumenten kwalificeren als CET1 op basis van de criteria in artikel 26 en artikel 28 CRR dienen de aftrekposten op het CET1 kapitaal, zoals gedefinieerd in artikel 36, CRR toegepast te worden. Daarbij zijn met name onderdeel g, i en h. van artikel 36, CRR relevant. De bedoelde aftrekposten houden in dat directe of indirecte deelnemingen in andere financiële ondernemingen afgetrokken moeten worden van het CET1 kapitaal, via regel 529 op formulier CA1 blad 2. Indirecte deelnemingen zijn gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 114 van de CRR.

Bij de vaststelling of sprake is van een indirecte deelneming moet gekeken worden of de onderneming aan eenzelfde risico is blootgesteld bij faillissement van de andere onderneming als wanneer de onderneming daadwerkelijke een aandelenbelang heeft. Met deze aftrekposten wordt onder andere gerefereerd aan de situatie dat een instelling een belang heeft in een andere entiteit en dat deze entiteit (mogelijk via een derde) weer een belang heeft in de onderneming. Door deze kapitaalstromen wordt het toetsingsvermogen van de onderneming kunstmatig verhoogd, wat niet wenselijk is gelet op de eisen met betrekking tot verliesabsorptie. Vandaar dat in deze situaties via artikel 36 CRR intragroepposities afgetrokken moeten worden van het CET1 kapitaal.

> Terug naar de Nieuwsbrief