Ten geleide van het ECB Maandbericht februari 2011

Nieuwsbericht
Datum 10 februari 2011

In zijn op 3 februari 2011 gehouden vergadering bevestigde de Raad van Bestuur op basis van zijn reguliere economische en monetaire analyses dat de huidige basisrentetarieven van de ECB nog steeds passend blijven.

Derhalve is besloten om ze onveranderd te laten. Met inachtneming van alle nieuwe gegevens en analyses die sinds de vergadering van 13 januari 2011 beschikbaar zijn gekomen, blijft de Raad van Bestuur tekenen zien van opwaartse druk op de algehele inflatie op de korte termijn, grotendeels voortvloeiend uit de energie- en grondstoffenprijzen. Dit is tot nog toe niet van invloed op de beoordeling van de Raad van Bestuur dat de prijsontwikkelingen op de voor het beleid relevante middellange termijn in overeenstemming met prijsstabiliteit zullen blijven. Tegelijkertijd is het van belang de prijsontwikkelingen zeer nauwlettend te volgen. Recente economische cijfers bevestigen de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied, waarbij de onzekerheid groot blijft. De monetaire analyse bevestigt dat de inflatoire druk op de middellange tot lange termijn beperkt zou moeten blijven. De inflatieverwachtingen blijven stevig verankerd in overeenstemming met de doelstelling het inflatiecijfer op middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden. De blijvend stevige verankering van de inflatieverwachtingen is van essentieel belang.

Al met al verwacht de Raad van Bestuur dat de prijsstabiliteit op de middellange termijn zal worden gehandhaafd, en de huidige monetaire-beleidskoers blijft accommoderend. De monetairbeleidskoers, de liquiditeitsverschaffing en de toewijzingsmethoden zullen zo nodig worden aangepast, waarbij rekening zal worden gehouden met het feit dat alle buitengewone maatregelen die tijdens de periode van acute onrust op de financiële markten zijn genomen, gezien de opzet ervan tijdelijk van aard zijn. De Raad van Bestuur zal daarom alle ontwikkelingen gedurende de komende periode zeer nauwlettend blijven volgen.

Wat de economische analyse betreft, blijven na de kwartaal-op-kwartaal stijging van het reële bbp van het eurogebied van 0,3% in het derde kwartaal van 2010 recente statistische publicaties en op enquêtes gebaseerde gegevens voor het vierde kwartaal en het begin van het jaar blijk geven van de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied. Vooruitblikkend, zou de uitvoer uit het eurogebied moeten profiteren van een aanhoudend herstel van de wereldeconomie. Tegelijkertijd, rekening houdend met het relatief hoge niveau van het ondernemersvertrouwen in het eurogebied, zou de binnenlandse vraag in de particuliere sector in toenemende mate moeten bijdragen aan de groei, ondersteund door de accommoderende monetairbeleidskoers en de maatregelen die zijn genomen om de werking van het financiële stelsel te herstellen. Het herstel van de bedrijvigheid zal naar verwachting echter worden geremd door het proces van balansaanpassing dat in diverse sectoren plaatsvindt.

Naar het oordeel van de Raad van Bestuur hellen de risico’s voor deze economische vooruitzichten nog steeds licht over naar de neerwaartse zijde, terwijl de onzekerheid groot blijft. Enerzijds zou de wereldhandel sneller kunnen blijven groeien dan verwacht, waarmee de uitvoer van het eurogebied wordt ondersteund. Voorts zou het sterke ondernemersvertrouwen meer steun kunnen geven aan de binnenlandse economische bedrijvigheid in het eurogebied dan thans wordt voorzien. Anderzijds houden de neerwaartse risico’s verband met de spanningen in enkele segmenten van de financiële markten en de mogelijke doorwerking daarvan op de reële economie van het eurogebied. Verder houden de neerwaartse risico’s verband met hernieuwde prijsstijgingen van olie en andere grondstoffen, protectionistische druk en de mogelijkheid van een onordelijke correctie van mondiale onevenwichtigheden.

Wat de prijsontwikkelingen betreft, bedroeg volgens de voorlopige (flash) raming van Eurostat de HICP-inflatie op jaarbasis in het eurogebied in januari 2011 2,4%, tegen 2,2% in december. Deze verdere stijging kwam niet onverwacht en is grotendeels het gevolg van hogere energieprijzen. Vooruitblikkend naar de komende paar maanden, zou de inflatie tijdelijk verder kunnen stijgen en zal waarschijnlijk gedurende het grootste deel van 2011 licht boven 2% blijven, alvorens rond de jaarwisseling weer te matigen. Al met al blijft de Raad van Bestuur tekenen zien van opwaartse druk op de algehele inflatie op de korte termijn, grotendeels voortvloeiend uit de energie- en grondstoffenprijzen. Een dergelijke druk is tevens waarneembaar in de beginstadia van het productieproces. Deze ontwikkelingen zijn tot nog toe niet van invloed op de beoordeling van de Raad van Bestuur dat de prijsontwikkelingen op de voor het beleid relevante middellange termijn in overeenstemming met prijsstabiliteit zullen blijven. Tegelijkertijd is het van belang de prijsontwikkelingen zeer nauwlettend te volgen. De inflatieverwachtingen voor de middellange tot lange termijn blijven stevig verankerd in overeenstemming met de doelstelling van de Raad van Bestuur om de inflatie op middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden.

De risico’s voor de middellange-termijnvooruitzichten voor de prijsontwikkelingen zijn nog steeds globaal in evenwicht maar zouden, zoals in januari al werd aangegeven, in opwaartse richting kunnen veranderen. Thans hangen de opwaartse risico’s vooral samen met de ontwikkelingen in de energieprijzen en de prijzen van grondstoffen met uitzondering van energie. Voorts kunnen stijgingen van indirecte belastingen en door de overheid gereguleerde prijzen sterker zijn dan thans wordt verwacht als gevolg van de noodzaak voor begrotingsconsolidatie in de komende jaren, terwijl de prijsdruk in de productieketen verder zou kunnen stijgen. De neerwaartse risico’s hangen voornamelijk samen met de invloed op de inflatie van mogelijk lagere groei, gezien de huidige onzekerheden.

Wat de monetaire analyse betreft, daalde de twaalfmaands groei van M3 in december 2010 tot 1,7%, van 2,1% in november. De groei op jaarbasis van de leningen aan de particuliere sector nam ook af, zij het marginaal, tot 1,9% in december, tegen 2,0% in november. Deze afnames zijn deels het gevolg van de omkering van incidentele factoren die werkzaam waren in november en duiden niet op een algemene verzwakking van de monetaire dynamiek. Over het geheel genomen is de groei van de ruim gedefinieerde geldhoeveelheid en die van de kredietverlening echter nog steeds laag, hetgeen steun geeft aan de beoordeling dat het onderliggend tempo van de monetaire expansie gematigd is en dat de inflatoire druk op de middellange termijn beperkt zou moeten blijven.

Wat betreft de componenten van M3 nam het jaarlijkse groeitempo van M1 verder af tot 4,4% in december 2010, hetgeen de huidige lage rentevergoeding op girale deposito's weerspiegelt. Tegelijkertijd is de rendementscurve weer wat steiler geworden, hetgeen impliceert dat de aantrekkelijkheid van in M3 begrepen instrumenten blijft dalen in vergelijking met langerlopende instrumenten buiten M3 met hogere rentevergoeding.

Bij de tegenposten van M3 bleef de groei op jaarbasis van bancaire leningen aan de particuliere sector verschillen in de omvang van de groei tussen sectoren verhullen. De groei op jaarbasis van leningen aan niet-financiële vennootschappen kwam in december 2010 uit op -0,2%, ten opzichte van -0,1% in de voorafgaande maand, terwijl de groei van leningen aan huishoudens aantrok tot 3,0% in december, na 2,8% in november. Wanneer echter rekening wordt gehouden met het effect van het afvoeren van leningen van de balansen van banken en door de korte-termijnvolatiliteit wordt heengekeken, bevestigen de laatste gegevens een aanhoudende geleidelijke versterking van het groeitempo op jaarbasis van de kredietverlening aan de niet-financiële particuliere sector.

Tegelijkertijd wijzen de laatste gegevens erop dat de algehele omvang van de bankbalansen weer is gekrompen na voor het grootste deel van 2010 te zijn toegenomen, voornamelijk als gevolg van een vermindering in de kredietverlening tussen banken. Het is van belang dat de banken, in een klimaat waarin de vraag toeneemt, de kredietverlening aan de particuliere sector blijven vergroten. Om aan deze uitdaging het hoofd te bieden, is het voor banken waar nodig van essentieel belang hun winsten te behouden, de markt aan te spreken om hun kapitaalbasis verder te versterken of de steunmaatregelen van overheden voor herkapitalisatie ten volle te benutten.

Kortom, de huidige basisrentetarieven van de ECB blijven nog steeds passend. De Raad van Bestuur heeft derhalve besloten ze onveranderd te laten. Met inachtneming van alle nieuwe gegevens en analyses die sinds de vergadering van 13 januari 2011 beschikbaar zijn gekomen, blijft de Raad van Bestuur tekenen zien van opwaartse druk op de algehele inflatie op de korte termijn, grotendeels voortvloeiend uit de energie- en grondstoffenprijzen. Dit is tot nog toe niet van invloed op de beoordeling van de Raad van Bestuur dat de prijsontwikkelingen op de voor het beleid relevante middellange termijn in overeenstemming met prijsstabiliteit zullen blijven. Tegelijkertijd is het van belang de prijsontwikkelingen zeer nauwlettend te volgen. Recente economische cijfers bevestigen de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied, waarbij de onzekerheid groot blijft. Een onderlinge toetsing van de uitkomst van de economische analyse aan die van de monetaire analyse geeft aan dat de inflatoire druk op de middellange tot lange termijn beperkt zou moeten blijven. De inflatieverwachtingen blijven stevig verankerd in overeenstemming met de doelstelling het inflatiecijfer op middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden. De blijvend stevige verankering van de inflatieverwachtingen is van essentieel belang.

Wat het begrotingsbeleid betreft, is het nu van essentieel belang dat alle overheden hun begrotingsconsolidatieplannen in 2011 volledig doorvoeren. Indien nodig, zullen snel aanvullende corrigerende maatregelen moeten worden doorgevoerd om vooruitgang te boeken bij het versterken van de houdbaarheid van de begroting. Na 2011 moeten landen concrete beleidsmaatregelen specificeren in hun meerjarige aanpassingsprogramma's om zo de geloofwaardigheid van hun begrotingsconsolidatiedoelen te onderbouwen. De ervaring leert dat beperking van de uitgaven een belangrijke stap is op weg naar het bereiken en handhaven van begrotingssoliditeit, met name wanneer dit verankerd is in bindende nationale beleidsregels. Een dergelijk commitment helpt het vertrouwen te vergroten in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, vermindert de renterisicopremies en verbetert de voorwaarden voor gezonde en duurzame groei. Het doorvoeren van geloofwaardige beleidsmaatregelen is van cruciaal belang gezien de aanhoudende druk vanuit de financiële markten.

Substantiële en verstrekkende structurele hervormingen, als aanvulling op begrotingsaanpassing, dienen dringend te worden doorgevoerd om de vooruitzichten voor hogere duurzame groei en werkgelegenheid te verbeteren. Belangrijke hervormingen zijn met name nodig in die landen die in het verleden aan concurrentievermogen hebben ingeboet of die kampen met hoge begrotings- en externe tekorten. Verhoogde concurrentie op de goederenmarkten en meer flexibiliteit op de arbeidsmarkten zouden verdere steun geven aan de noodzakelijke aanpassingsprocessen in de economie. Al deze structurele hervormingen dienen te worden ondersteund door de noodzakelijke verbeteringen in de structuur van de bankensector. Solide balansen, effectief risicobeheer en transparante, degelijke bedrijfsmodellen blijven van essentieel belang voor het versterken van de schokbestendigheid van banken en voor het zekerstellen van toereikende toegang tot financiering, waardoor de basis wordt gelegd voor duurzame groei en financiële stabiliteit.

De Engelstalige uitgave van dit nummer van het Maandbericht bevat twee artikelen. Het eerste artikel analyseert het recente beloop van de inflatieverwachtingen in het eurogebied. Het tweede artikel bespreekt het informatiegehalte van optieprijzen gedurende de financiële crisis.