Ten geleide van het ECB Maandbericht mei 2011

Nieuwsbericht
Datum 12 mei 2011

In zijn op 5 mei 2011 gehouden vergadering heeft de Raad van Bestuur op basis van zijn reguliere economische en monetaire analyses besloten de basisrentetarieven van de ECB onveranderd te laten, na de verhoging met 25 basispunten op 7 april 2011.

De sinds die datum beschikbaar gekomen informatie bevestigt het oordeel dat een aanpassing van de zeer accommoderende monetairbeleidskoers gerechtvaardigd was. De Raad van Bestuur blijft opwaartse druk op de algehele inflatie waarnemen, voornamelijk vanuit de prijzen van energie en grondstoffen. Terwijl de monetaire analyse erop duidt dat het onderliggende tempo van de monetaire expansie nog steeds gematigd is, blijft de monetaire liquiditeit ruim en zou deze de accommodatie van de prijsdruk kunnen vergemakkelijken. Bovendien bevestigen recente economische gegevens de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied, waarbij de onzekerheid verhoogd blijft. Al met al is het van essentieel belang dat de recente prijsontwikkelingen niet leiden tot breed verspreide inflatoire druk. De inflatieverwachtingen in het eurogebied dienen stevig verankerd te blijven in overeenstemming met de doelstelling het inflatiecijfer op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te handhaven. Deze verankering is een voorwaarde om het monetaire beleid te laten bijdragen aan het ondersteunen van de economische groei en werkgelegenheidscreatie in het eurogebied. Terwijl de rente ten aanzien van het gehele looptijdenspectrum laag blijft en de monetairbeleidskoers nog steeds accommoderend is, blijft de Raad van Bestuur alle ontwikkelingen ten aanzien van de opwaartse risico's voor prijsstabiliteit zeer nauwlettend volgen. Het handhaven van de prijsstabiliteit op de middellange termijn blijft het leidende beginsel voor de Raad van Bestuur bij de beoordeling van nieuwe informatie, bij de vorming van een oordeel en bij het besluit over een verdere aanpassing van de accommoderende koers van het monetair beleid.

Zoals bij eerdere gelegenheden aangegeven, zullen de liquiditeitsverschaffing en de toewijzingsmethoden voor de herfinancieringstransacties zo nodig worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat alle buitengewone maatregelen die tijdens de periode van acute onrust op de financiële markten zijn genomen, gezien de opzet ervan tijdelijk van aard zijn.

Wat betreft de economische analyse: na de kwartaal-op-kwartaal stijging van het reële bbp van het eurogebied van 0,3% in het vierde kwartaal van 2010, duiden recente statistische publicaties en op enquêtes gebaseerde indicatoren op een aanhoudend positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied in het eerste kwartaal van 2011 en aan het begin van het tweede kwartaal. Vooruitblikkend, zou de uitvoer uit het eurogebied moeten worden ondersteund door de aanhoudende expansie van de wereldeconomie. Tegelijkertijd, rekening houdend met het hoge niveau van het ondernemersvertrouwen in het eurogebied, zou de binnenlandse vraag in de particuliere sector in toenemende mate moeten bijdragen aan de economische groei, profiterend van de accommoderende monetairbeleidskoers en de maatregelen die zijn genomen om de werking van het financiële stelsel te verbeteren. De bedrijvigheid zal naar verwachting echter enigszins worden geremd door het proces van balansaanpassing dat in diverse sectoren plaatsvindt.

Naar het oordeel van de Raad van Bestuur blijven de risico’s voor deze economische vooruitzichten globaal in evenwicht, in een klimaat van verhoogde onzekerheid. Enerzijds zou de wereldhandel sneller kunnen blijven groeien dan verwacht, waarmee de uitvoer van het eurogebied wordt ondersteund. Voorts zou het sterke ondernemersvertrouwen meer steun kunnen geven aan de binnenlandse economische bedrijvigheid in het eurogebied dan thans wordt voorzien. Anderzijds houden de neerwaartse risico’s verband met de aanhoudende spanningen in enkele segmenten van de financiële markten en de mogelijke doorwerking daarvan op de reële economie van het eurogebied. De neerwaartse risico’s houden tevens verband met verdere stijgingen van de energieprijzen, vooral met het oog op de aanhoudende geopolitieke spanningen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en met protectionistische druk en de mogelijkheid van een onordelijke correctie van mondiale onevenwichtigheden. Tot slot bestaan er nog steeds potentiële risico’s die voortvloeien uit de economische effecten van de recente natuur- en atoomrampen in Japan op het eurogebied en de wereld daarbuiten.

Wat de prijsontwikkelingen betreft, bedroeg volgens de voorlopige (flash) raming van Eurostat de HICP-inflatie op jaarbasis in het eurogebied in april 2,8%, tegen 2,7 % in maart. De stijging van de inflatie gedurende de eerste vier maanden van 2011 is grotendeels het gevolg van hogere grondstoffenprijzen. Vooruitblikkend, zal het inflatiecijfer de komende maanden waarschijnlijk duidelijk boven 2% blijven liggen. De opwaartse druk op de inflatie, voornamelijk vanuit de prijzen van energie en grondstoffen, is tevens waarneembaar in de beginstadia van het productieproces. Het is van cruciaal belang dat de stijging van de HICP-inflatie zich niet vertaalt in tweede-ronde-effecten bij de prijs- en loonvorming en tot breed verspreide inflatiedruk leidt. De inflatieverwachtingen dienen stevig verankerd te blijven in overeenstemming met de doelstelling van de Raad van Bestuur de inflatie op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te handhaven.

De risico’s voor de middellange-termijnvooruitzichten voor de prijsontwikkeling zijn van opwaartse aard. Deze houden vooral verband met hoger dan verwachte stijgingen van de energieprijzen, welke niet het minst zijn toe te schrijven aan de aanhoudende politieke spanningen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Meer in het algemeen zou de sterke economische groei in opkomende markten, ondersteund door ruime liquiditeit op mondiaal niveau, de stijging van de grondstoffenprijzen verder kunnen stuwen. Voorts kunnen stijgingen van indirecte belastingen en door de overheid gereguleerde prijzen sterker zijn dan thans wordt aangenomen als gevolg van de noodzaak van begrotingsconsolidatie in de komende jaren. De risico’s houden, tot slot, tevens verband met sterker dan verwachte binnenlandse prijsdruk in de context van het voortgaande herstel van de economische bedrijvigheid.

Wat de monetaire analyse betreft, steeg de twaalfmaands groei van M3 van 2,1% in februari naar 2,3% in maart 2011. Als de door bijzondere factoren veroorzaakte recente volatiliteit van de groei van de ruim gedefinieerde geldhoeveelheid buiten beschouwing wordt gelaten, is de groei van M3 de afgelopen maanden steeds licht blijven toenemen. Het groeitempo op jaarbasis van leningen aan de particuliere sector is in maart met 2,5% grotendeels onveranderd gebleven ten opzichte van de 2,6% in februari. Over het geheel genomen neemt het onderliggende tempo van de monetaire expansie geleidelijk toe, maar het blijft gematigd. Tegelijkertijd blijft de monetaire liquiditeit die zich voorafgaand aan de periode van de spanningen op de financiële markten had geaccumuleerd, ruim en zou deze de accommodatie van de prijsdruk in het eurogebied kunnen vergemakkelijken.

Wat betreft de componenten van M3, bleef de groei op jaarbasis van M1 in maart grotendeels onveranderd, terwijl die van overige kortlopende deposito’s toenam. Deze ontwikkeling weerspiegelt deels het geleidelijk oplopen van de rentevergoeding op deze deposito’s gedurende de recente maanden. Tegelijkertijd impliceert de steile rendementscurve een remmend effect op de algehele groei van M3, omdat deze leidt tot vermindering van de aantrekkelijkheid van monetaire activa ten opzichte van langerlopende instrumenten buiten M3 met een hogere rentevergoeding.
Wat de tegenposten van M3 betreft, was er sprake van een verdere lichte toename van de groei van de kredietverlening aan niet-financiële vennootschappen, van 0,6% in februari naar 0,8% in maart. De groei van leningen aan huishoudens bedroeg in maart 3,4%, vergeleken met 3,0% in februari. Wanneer de volatiliteit op de korte termijn buiten beschouwing wordt gelaten, bevestigen de laatste gegevens een aanhoudende geleidelijke versterking van de groei op jaarbasis van de kredietverlening aan de niet-financiële particuliere sector.

De totale omvang van de balansen van banken is de afgelopen maanden goeddeels onveranderd gebleven, niettegenstaande enige volatiliteit. Het is van belang dat de banken, in een klimaat waarin de vraag toeneemt, de kredietverlening aan de particuliere sector blijven vergroten. Om aan deze uitdaging het hoofd te bieden, is het voor banken waar nodig van essentieel belang hun winsten te behouden, de markt aan te spreken om hun kapitaalbasis verder te versterken of de steunmaatregelen van overheden voor herkapitalisatie ten volle te benutten. Met name banken die thans beperkte toegang hebben tot marktfinanciering, dienen dringend hun kapitaal te verhogen en hun efficiëntie te verbeteren.

Om een en ander kort samen te vatten: op basis van zijn reguliere economische en monetaire analyses heeft de Raad van Bestuur besloten de basisrentetarieven van de ECB onveranderd te laten, na de verhoging met 25 basispunten op 7 april 2011. De sinds die datum beschikbaar gekomen informatie bevestigt het oordeel dat een aanpassing van de zeer accommoderende monetairbeleidskoers gerechtvaardigd was. De Raad van Bestuur blijft opwaartse druk op de algehele inflatie waarnemen, voornamelijk vanuit de prijzen van energie en grondstoffen. Een onderlinge toetsing aan de signalen uit de monetaire analyse geeft aan dat, terwijl het onderliggende tempo van de monetaire expansie nog steeds gematigd is, de monetaire liquiditeit ruim blijft en de accommodatie van de prijsdruk zou kunnen vergemakkelijken. Bovendien bevestigen recente economische gegevens de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied, waarbij de onzekerheid verhoogd blijft. Al met al is het van essentieel belang dat de recente prijsontwikkelingen niet leiden tot breed verspreide inflatoire druk. De inflatieverwachtingen in het eurogebied dienen stevig verankerd te blijven in overeenstemming met de doelstelling het inflatiecijfer op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te handhaven. Deze verankering is een voorwaarde om het monetaire beleid te laten bijdragen aan het ondersteunen van de economische groei en werkgelegenheidscreatie in het eurogebied. Terwijl de rente ten aanzien van het gehele looptijdenspectrum laag blijft en de monetairbeleidskoers nog steeds accommoderend is, blijft de Raad van Bestuur alle ontwikkelingen ten aanzien van de opwaartse risico's voor prijsstabiliteit zeer nauwlettend volgen. Het handhaven van de prijsstabiliteit op de middellange termijn blijft het leidende beginsel voor de Raad van Bestuur bij de beoordeling van nieuwe informatie, bij de vorming van een oordeel en bij het besluit over een verdere aanpassing van de accommoderende koers van het monetair beleid.

Wat het begrotingsbeleid betreft, wijst de huidige informatie op ongelijke ontwikkelingen in de naleving door landen van de overeengekomen begrotingsconsolidatieplannen. Er bestaat het risico dat in sommige landen de begrotingspositie kan gaan achterlopen bij de door de Ecofin-Raad overeengekomen doelstellingen voor de noodzakelijke en tijdige correctie van buitensporige tekorten. Het is van essentieel belang dat alle overheden de begrotingspositiedoelstellingen die zij voor 2011 hebben bekendgemaakt, verwezenlijken. Waar nodig zouden snel aanvullende corrigerende maatregelen dienen te worden getroffen om vooruitgang met het verwezenlijken van begrotingshoudbaarheid te waarborgen. De tenuitvoerlegging van geloofwaardig beleid is van cruciaal belang gezien de aanhoudende druk in de financiële markten.

Tegelijkertijd is het van cruciaal belang dat substantiële en verregaande structurele hervormingen ten uitvoer worden gelegd in het eurogebied om het groeipotentieel, het concurrentievermogen en de flexibiliteit te versterken. Met name landen met een hoog begrotings- en extern tekort of landen die aan concurrentievermogen hebben ingeboet dienen veelomvattende economische hervormingen door te voeren. In het geval van de productmarkten, dient vooral het beleid gericht op versterking van concurrentie en innovatie verder te worden voortgezet teneinde de herstructurering te versnellen en de productiviteitsgroei te verbeteren. Wat betreft de arbeidsmarkt, dient prioriteit te worden gegeven aan vergroting van de loonflexibiliteit en versterking van de prikkels tot werken, en aan het wegnemen van arbeidsmarktrigiditeiten.

De Raad van Bestuur dringt er, overeenkomstig het ECB-advies van 17 februari 2011 inzake de zes wetsvoorstellen voor economisch bestuur, bij de Ecofin-Raad, het Europees Parlement en de Commissie op aan om in het kader van hun “trialoog” strengere eisen overeen te komen alsmede een grotere mate van automatisme in de procedures en een duidelijker focus op de meest kwetsbare landen die aan concurrentievermogen hebben ingeboet.

Tot slot verwelkomt de Raad van Bestuur het economisch en financieel aanpassingsprogramma dat de Portugese overheid is overeengekomen na de succesvolle afronding van de onderhandelingen met de Europese Commissie, samen met de ECB, en het Internationaal Monetair Fonds. Het programma bevat de noodzakelijke elementen om een duurzame stabilisatie van de Portugese economie tot stand te brengen, en het biedt op vastbesloten wijze het hoofd aan de economische en financiële oorzaken die aan de huidige bezorgdheid in de markten ten grondslag liggen en zal daarmee bijdragen aan het herstellen van het vertrouwen en het waarborgen van de financiële stabiliteit in het eurogebied. De Raad van Bestuur verwelkomt de door de Portugese overheid gedane toezegging alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken. De Raad acht de brede politieke steun voor het aanpassingsprogramma van groot belang, daar deze de algehele geloofwaardigheid van het programma versterkt.

De Engelstalige versie van dit nummer van het Maandbericht bevat twee artikelen. Het eerste artikel beschrijft het patroon van de macro-economische cycli in het eurogebied en de Verenigde Staten en presenteert enige bespiegelingen over het herstel. In het tweede artikel worden de motivaties en huidige regelingen voor de externe representatie van de EU en EMU besproken en beoordeeld.