Te ondernemen stappen door pensioenfondsen die (opnieuw) in een dekkingstekort of reservetekort zijn beland

Nieuwsbericht
Datum 19 augustus 2011

Als gevolg van de huidige rente- en beursontwikkelingen is de dekkingsgraad van veel fondsen gedaald. Voor een aantal fondsen betekent dit dat zij na een tijdelijk herstel van de dekkingsgraad tot boven het (minimaal) vereist eigen vermogen opnieuw in een dekkings- of reservetekort zijn beland.

Voor andere fondsen betekent dit dat het nog steeds bestaande tekort verder is toegenomen. Verder zijn er ook fondsen die voor het eerst sinds het begin van de crisis in 2008 in een tekort zijn beland. Met onderstaande tekst wil DNB duidelijk maken wat zij van de fondsen in de verschillende situaties verwacht.

Voor pensioenfondsen die al een door DNB goedgekeurd langetermijnherstelplan of een door DNB goedgekeurd lange- en kortetermijnherstelplan hadden en enige tijd uit reserve- dan wel dekkingstekort zijn geweest geldt het volgende.

DNB verwacht dat pensioenfondsen die na een tijdelijk herstel weer in tekort raken het bij DNB ingediende herstelplan blijven uitvoeren. Deze fondsen hoeven dus geen nieuw herstelplan in te dienen. Dit betreft ook de fondsen die langer dan drie kwartaaleinden uit tekort zijn geweest. Voor deze fondsen blijven dus de oorspronkelijke hersteltermijnen doorlopen. Wanneer de in het herstelplan opgenomen herstelmaatregelen niet meer uitvoerbaar zijn, dan dient een fonds dit bij DNB te melden. In dat geval moet mogelijk een aangepast herstelplan worden opgesteld.

Pensioenfondsen waarvan de dekkingsgraad zodanig is gedaald dat zij mogelijk niet tijdig herstellen als zij geen aanvullende maatregelen treffen, hoeven zich in principe niet bij DNB te melden. Zij continueren de uitvoering van hun herstelplannen. Als echter sprake is van een ingrijpende wijziging in de samenstelling, de omvang en de waarde van de beleggingen, dan dient een fonds dit wel direct bij DNB te melden. Verder verzoekt DNB deze fondsen om na te gaan of de maatregelen bij tegenvallend herstel zoals opgenomen in het herstelplan nog steeds adequaat zijn. Bij de evaluatie van de herstelplannen over 2011 wordt beoordeeld of er pensioenfondsen zijn die aanvullende maatregelen moeten treffen om wederom op een haalbaar herstelpad te komen. Ten behoeve van de evaluatie over 2011 moeten alle fondsen in 2012 rekening houden met de “nieuwe” parameters zoals opgenomen in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader. Zolang een fonds niet achterloopt op het herstelpad zoals opgenomen in het herstelplan, verplichten de nieuwe parameters niet tot aanvullende maatregelen.

Voor pensioenfondsen die voor het eerst sinds het begin van de crisis in 2008 in een reservetekort zijn beland, geldt dat zij DNB direct moeten informeren dat zij niet meer voldoen aan het vereist eigen vermogen. Deze fondsen mogen wachten tot het eind van het kwartaal waarin zij de melding doen, voordat zij over moeten gaan tot het opstellen van een langetermijnherstelplan. Als zij aan het eind van het kwartaal nog steeds een reservetekort hebben, dan hebben ze vanaf dat moment maximaal drie maanden de tijd om een langetermijnherstelplan ter instemming bij DNB in te dienen. De maximale hersteltermijn is 15 jaar. Bij het opstellen van het langetermijnherstelplan moet direct rekening worden gehouden met de “nieuwe” parameters zoals opgenomen in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader. Als een fonds gedurende het kwartaal naar een dekkingstekort zakt, dan moet een fonds dit onverwijld bij DNB melden en ontstaat er direct een plicht tot indiening van zowel het kortetermijn- als langetermijnherstelplan.

Voor pensioenfondsen die voor het eerst sinds het begin van de crisis in 2008 in een dekkingstekort zijn beland, geldt dat zij DNB direct moeten informeren over het feit dat zij niet meer voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen. Vanaf dat moment hebben deze fondsen maximaal 2 maanden de tijd om een kortetermijnherstelplan ter instemming bij DNB in te dienen. De maximale hersteltermijn is 3 jaar.
Bij het opstellen van het kortetermijnherstelplan moet direct rekening worden gehouden met de “nieuwe” parameters zoals opgenomen in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader. Fondsen die al een goedgekeurd langetermijnherstelplan hadden, zullen dit langetermijnherstelplan moeten aanpassen. Het kortetermijn- en langetermijnherstelplan kunnen, omdat ze gedeeltelijk betrekking hebben op dezelfde herstelperiode niet los van elkaar worden gezien. De plannen zullen dus op elkaar moeten worden afgestemd. Het aangepaste langetermijnherstelplan moet dan tegelijk met het kortetermijnherstelplan worden ingediend. Daarbij moet dan rekening gehouden worden met de “nieuwe” parameters en de reeds verstreken looptijd van het te vervangen langetermijnherstelplan.