De nazi-roof van 146.000 kg goud bij De Nederlandsche Bank

Speech
Datum 15 maart 2002
Tijd 15:30 uur
Lokatie het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar van: Eksters. De nazi-roof van 146.000 kg goud bij De Nederlandsche Bank, geschreven door Gerard Aalders (NIOD).
Spreker dr A.H.E. M. Wellink, president van De Nederlandsche Bank

1 In de oorlogsjaren is 145.649 kg goud uit de kluizen van de Nederlandsche Bank, toen nog aan de Oude Turfmarkt, gestolen. Door de nazi’s, die goud en harde valuta nodig hadden om het Duitse oorlogsapparaat op gang te houden. Het was een vette buit, die slechts overtroffen werd door de 198 ton goud die de Duitsers in deze periode van België roofden. Van dit inpikken van ons blinkend metaal doet Gerard Aalders in ornithologische termen boeiend, en ook zeer leesbaar, verslag. Er is al het één en ander over gepubliceerd, onder andere door De Vries en Fase in hun respectievelijke geschiedsdelen van de Nederlandsche Bank, maar het ontbrak nog aan een samenvattend overzicht, waarin ook de resultaten van recent internationaal onderzoek zijn verwerkt. In deze lacune heeft u op pakkende wijze voorzien.

2 Uw heeft mij hier als hoeder van het goud en het geld van Nederland gevraagd het eerste exemplaar van uw boek in ontvangst te nemen, en zult het mij dus niet euvel duiden dat ik zo her en der het optreden van mijn voorgangers onder de lamp houd. 

3 Dat de Nederlandse buit niet nog veel omvangrijker was, hebben we toch vooral te danken aan de toenmalige directie van de Nederlandsche Bank. Bezorgd over de toenemende agressie van Hitler-Duitsland begon zij al in de herfst van 1937, en eerder dan andere centrale banken, naar wegen te zoeken om het goud in veiligheid te brengen. Vanaf de late zomer van 1938 vertrok er met ijzeren regelmaat goud naar het buitenland. Dat moest met de nodige voorzichtigheid gebeuren, want Den Haag, dat de maatregelen oogluikend aanzag, was als de dood dat de neutraliteit van Nederland in het geding kwam. Bij het begin van de bezetting op 15 mei 1940 lag bijna 80% van de goudvoorraad in het buitenland. 
De alerte reactie van de Nederlandsche Bank is opvallend. België en Frankrijk, landen die de verschrikkingen van een Duitse bezetting in 1914-1918 hadden meegemaakt, zijn veel later met de verscheping van hun goud naar het buitenland begonnen. België vanaf maart 1939, ten tijde van de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije, en Frankrijk pas vanaf 16 mei 1940, op het laatste nippertje dus. 

4 Over het goud en de joodse bezittingen die de nazi’s uit de bezette landen roofden is in de afgelopen jaren veel te doen geweest, en in die wereldwijde discussie stond het neutrale Zwitserland centraal. Aalders laat op niet mis te verstane wijze zien hoe Zwitserland de dubieuze reputatie verwierf als draaischijf voor het geroofde goud te hebben gediend. De leveranciers van Duitsland zagen hun goederen het liefst betaald in goud of Zwitserse franken. 
Nederland kan erover meepraten. Na de oorlog bleek dat bijna driekwart van al het geroofde Nederlandse goud, zo’n 120 ton, op enig moment in Zwitserland is geweest. Aan deze wetenschap, in de winter van 1946/47 vastgesteld, hebben wij niets gehad. Want dankzij een in mei 1946 in Washington gesloten Akkoord met de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk, kocht Zwitserland alle aanspraken van de geallieerden op teruggave van geroofd goud af. Bern stortte 52 ton goud in de geallieerde goudpool van waaruit alle gedupeerde landen naar rato van hun verlies werden terugbetaald. De officiële verklaring luidde dat het een bijdrage was aan de wederopbouw van Europa. Met deze 52 ton, tegen de toenmalige koers $ 58 mln waard, kwamen de Zwitsers dus goed weg. De geallieerden waren bij de onderhandelingen uitgegaan van een veel te lage hoeveelheid gestolen goud. De Zwitsers wilden hun onderhandelingpartners niet wijzer maken dan zij waren en weigerden inzage in de boeken te geven. Naar later zou blijken, hadden de Duitsers op zeker $ 360 mln aan goud de hand weten te leggen. Zwitserland heeft altijd vol gehouden te goeder trouw te hebben gehandeld. Pas eind jaren negentig moest het, na zware internationale druk, toegeven dat de Zwitserse nationale bank al vanaf 1941 wist dat de Reichsbank besmet goud ter verkoop aanbood. 
Van dit Akkoord van Washington is vooral Nederland het slachtoffer geworden. Den Haag heeft jarenlang geprobeerd het open te breken. De pogingen hiertoe vormen de hoofdmoot van Aalders’ boek. Alle inspanningen liepen stuk op de onverzettelijkheid van de Zwitsers en de vrijwaringclausule in het Akkoord van Washington. Nederland had hierbij aanvankelijk de steun van de Amerikanen, maar die verliep snel toen het kabinet-Drees zich doof hield voor het internationale protest tegen het harde ingrijpen in Soekarno’s Indonesië. 

5 Zowel de Commissie-van Kemenade, die de goudclaim heeft onderzocht, als Aalders, concludeert dat Nederland van meet af aan achter de feiten aan heeft gelopen. En, zoals wel vaker in de Nederlandse geschiedenis, heeft het morele gelijk het moeten afleggen tegen de politieke realiteit. 
Het moet mij van het hart dat het niet aan de Nederlandsche Bank heeft gelegen dat die feiten, althans de voor Nederland belangrijke feiten, niet tijdig beschikbaar waren. We moeten hierbij wel in gedachten houden dat de Bank tot 1948, toen Lieftinck haar nationaliseerde, een naamloze vennootschap was waarvan de aandelen in particuliere handen waren. Ook al was zij een bijzondere, nationale instelling, want bekleed met publiekrechtelijke taken, het was en bleef een particuliere instelling. Naar Trips oordeel behoorde het goud daarom aan de aandeelhouders toe. De Bank achtte zich in de goudzaak dus een belanghebbende partij, en daarmee wil ik toch een kanttekening plaatsen bij Aalders’ stelling dat de Nederlandsche Bank in het goudverhaal slechts passief, als slachtoffer van de roof meedoet. 
Trip had anno 1945 wellicht een wat al te beperkte kijk op het eigendomsrecht van het goud. Zijn opvolger Holtrop, die halverwege 1946 aantrad, zag de zaak breder: Nederland, één van de zwaarst getroffen landen materieel gezien, kampte met een enorm deviezentekort, Nederland had het goud domweg nodig voor de wederopbouw. Hoe dan ook, de Bank vond niet zonder reden dat ook van haar kant een actieve rol gewenst was, ook al besefte zij dat de politieke verantwoordelijkheid in Den Haag lag.  

Halverwege mei 1945 al kaartte de Bank de zaak aan bij de Nederlandse Missie van het geallieerde opperbevel. Nadat in de zomer van 1945 de eerste berichten in de kranten verschenen over de goudvondsten in het verslagen Duitsland, alarmeerde de Bank onmiddellijk de ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken. Begin augustus 1945 rondde zij een Engelstalige notitie af die een uitvoerige inventarisatie van het geroofde goud bevatte. In de aanloop tot de Parijse Herstelbetalingenconferentie, waar het roofgoud hoog op de agenda stond, bewerkte zij, al dan niet via de ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken, de geallieerde diplomatieke afvaardigingen met deze notitie. Tegelijkertijd bestookte de directie de al in Londen benoemde Commissaris-generaal voor de Nederlandsche Economische Belangen in Duitsland met informatie. Hij had zijn hoofdkwartier in Frankfurt en misschien kon hij nadere informatie loskrijgen over de lotgevallen van het Nederlandse goud? Ondertussen deed de Bank verwoede pogingen om de eigen experts naar Duitsland te laten gaan voor nader onderzoek. In Frankfurt lag immers de door de Amerikanen in beslaggenomen goudadministratie van de Reichsbank. Naar Duitsland reizen was in de maanden na de totale instorting van het Duizendjarige Rijk echter geen sinecure. Land en infrastructuur lagen in puin, en het verkrijgen van toestemming om het land binnen te gaan verliep langs vele – militaire – schijven. Pas in de herfst van 1946 kwam de toestemming rond en konden de Bankexperts hun onderzoek doen in Frankfurt. En ja hun bevindingen kwamen te laat. 
De Bank is dus bepaald niet, zoals Aalders stelt, wakker geschud door het Akkoord van Washington. 

Ze heeft vanaf mei 1945 op het vinkentouw gezeten. Het is overigens de vraag, en daarin moet ik hem gelijk geven, of Nederland anders dan achter de feiten aan had kunnen lopen. We moeten niet vergeten dat in die cruciale maanden na mei 1945, regering en ministeries van Londen naar Den Haag terugkeerden, ook hier de infrastructuur fors beschadigd was, verbindingslijnen verbroken of slecht waren, en de eerste zorg van de overheid, Militair Gezag en later de reguliere burgelijke organen, het elementaire welzijn van de bevolking betrof. Bovendien, het gewicht dat Nederland in de schaal legde - en legt - is beperkt. 

6 In de naoorlogse politieke constellatie stond Nederland, dunkt mij, in feite maar één weg open om zijn goud terug te krijgen en die liep via de door de geallieerden aangegeven route van de Tripartite Goud Commissie. Aalders laat glashelder zien dat alle pogingen om bilateraal te onderhandelen met landen waar Nederlands gestolen goud terecht is gekomen, tot mislukken gedoemd waren. Gezien het aantal landen dat na de oorlog aanspraak maakte op teruggave van door de Duitsers geroofd goud en gegeven de hoeveelheid goud die de Commissie te verdelen had, lijkt mij dat Nederland een evenredig deel uit de goudpool ontvangen heeft. Uiteindelijk is bijna 72 ton goud teruggekomen. In termen van hoeveelheden staat Nederland na België als tweede op de lijst van uitkeringtrekkers. Zo slecht is het eindresultaat dus niet geweest. 

7 Tot slot dit. Van Geyl is het adagium dat geschiedenis een discussie zonder einde is. Zo zal ook over het Nederlandse goud, de roof en de restitutie het laatste woord niet gezegd zijn. Dat laat onverlet dat met dit laatste deel van uw trilogie over roof en rechtsherstel een intrigerend hoofdstuk van de Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is afgerond.