Stabiel overschot op de lopende rekening

Statistisch Nieuwsbericht
Datum 24 december 2014
Het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans is in het derde kwartaal van 2014 uitgekomen op EUR 15 miljard (9% van het bruto binnenlands product), hetzelfde niveau als een jaar eerder.

Het overschot betreft de gehele Nederlandse economie, inclusief de bijzondere financiële instellingen (BFI’s). Sinds de eerste publicatie van de externe rekeningen conform het nieuwe handboek BPM6, afgelopen november, neemt DNB deze sector standaard mee in de betalingsbalanscijfers (noot 1). Het netto extern vermogen van Nederland – het Nederlandse bezit in het buitenland minus het buitenlandse bezit in Nederland, met kapitaaldeelnemingen gewaardeerd tegen marktwaarde – kwam aan het eind van het derde kwartaal uit op EUR 517 miljard (circa 80 % van het bbp over de afgelopen vier kwartalen), EUR 196 miljard hoger dan vorig jaar.

Lopende rekening

Het overschot op de lopende rekening is met ruim 9% van het bbp nagenoeg onveranderd ten opzichte van het derde kwartaal van 2013. Tegenover licht hogere saldi in het goederen- en het dienstenverkeer staan lagere saldi primaire en secundaire inkomens. Op 4-kwartaalsbasis blijft het overschot hiermee stabiel op een niveau net boven de 10% bbp (zie figuur).

Grafiek 1: Saldo lopende rekening (%bbp, voortschrijdend 4-kwartaalstotaal)

Saldo lopende rekening
 

In het goederenverkeer en het dienstenverkeer heeft de waarde van zowel de uitvoer als de invoer zich positief ontwikkeld. In- en uitvoer van de goederen liggen het derde kwartaal respectievelijk één en twee procent hoger dan een jaar geleden. De flink lagere olieprijs zorgde voor lagere in- en uitvoerprijzen (circa -3% respectievelijk -2%), en lagere handelswaarden van aardgas en overige energieproducten. Daarnaast heeft ook de goedkopere euro zijn weerslag op de in- en uitvoerprijzen. In het dienstenverkeer is voor acht procent meer uitgevoerd en zes procent meer ingevoerd dan in het derde kwartaal van vorig jaar.

De primaire en secundaire inkomens maken dat het overschot op de lopende rekening toch iets lager uitkomt ten opzichte van 2013K3. De uit het buitenland ontvangen inkomens uit arbeid, directe investeringen, effectenverkeer en overig financieel verkeer daalden allemaal. De winst uit kapitaaldeelnemingen in het buitenland, met een aandeel van rond de 60% in de totale inkomende primaire inkomens veruit de grootste post, levert met een daling van EUR 2 miljard de grootste bijdrage. Ook de uitgaande inkomens liggen over het gehele front lager. De lagere rente op schuldpapier bepaalt het beeld bij zowel de inkomende als de uitgaande inkomens op effecten, en vormt de belangrijkste verklaring voor de lagere betalingen van primaire inkomens aan het buitenland in vergelijking met een jaar eerder.

Financieel verkeer en netto extern vermogen

Het netto extern vermogen van Nederland is in het derde kwartaal met EUR 16 miljard toegenomen. De toename valt toe te schrijven aan het effectenverkeer. Zo hebben Nederlandse beleggers per saldo buitenlandse effecten aangekocht, ter waarde van bijna EUR 10 miljard. Buitenlands geldmarktpapier was hierbij het meest in trek (EUR 5 miljard), gevolgd door buitenlandse beleggingsfondsen (EUR 3 miljard) en kapitaalmarktpapier (EUR 2 miljard). De aankopen komen vooral op het conto van pensioenfondsen (EUR 6 miljard) en beleggingsinstellingen (EUR 7 miljard), terwijl de monetaire financiële instellingen (inclusief De Nederlandsche Bank) juist voor EUR 10 miljard – vooral buitenlands kapitaalmarktpapier – hebben verkocht. Ook verkocht het buitenland per saldo Nederlandse effecten (EUR 7 miljard).

Buitenlandse beleggers hebben vooral Nederlands kapitaalmarktpapier afgestoten (EUR 10 miljard, waarvan EUR 7 miljard overheidspapier), deels door verkopen aan Nederlandse beleggers en deels omdat de Nederlandse Staat per saldo afloste. Het buitenland kocht wel per saldo Nederlandse aandelen (EUR 5 miljard), onder meer aandelen samenhangend met de beursintroductie van Nationale Nederlanden. Opvallend in het derde kwartaal waren de emissies van schuldpapier uitgegeven door BFI’s waarvan de opbrengsten werden aangewend voor de aankoop van buitenlandse derivaten. Meer nog dan door transacties is de toename van het netto Nederlands effectenbezit gedreven door waardemutaties. Drijvende krachten hierachter zijn de koersontwikkeling van obligaties en de appreciatie van de US dollar.

Noot 1: Zie het Statistisch nieuwsbericht van 25 november 2014 en bijbehorende achtergrondartikel voor een beschrijving van de belangrijkste wijzigingen die met de introductie van BPM6 zijn doorgevoerd en het effect op de betalingsbalanscijfers. Waar relevant worden de cijfers voor de bijzondere financiële instellingen apart getoond in de betalingsbalanstabellen.