Overschot op de lopende rekening gedaald

Statistisch Nieuwsbericht
Datum 26 maart 2015

Nederland had in het laatste kwartaal van 2014 een overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans van EUR 12 miljard (7% van het bruto binnenlands product (bbp)). Over heel 2014 kwam het overschot uit op ruim 10% van het bbp. Bepalend voor het beeld zijn de ontwikkelingen bij de primaire inkomens, die in het vierde kwartaal een negatief saldo met het buitenland opleverden. Eind 2014 bedroeg het netto extern vermogen van Nederland, met kapitaaldeelnemingen gewaardeerd tegen marktwaarde, EUR 524 miljard (80 % van het bbp op jaarbasis). 

Lopende rekening

Het overschot op de lopende rekening is met ruim 7% van het bbp flink lager uitgekomen dan in het vierde kwartaal van 2013. Het goederen- en het dienstenverkeer gezamenlijk liet een licht hoger overschot zien, terwijl het traditionele negatieve saldo bij de secundaire inkomens juist licht in omvang toenam. De daling van het overschot op de lopende rekening komt volledig op het conto van de primaire inkomens, waar in het afgelopen kwartaal zelfs sprake was van een – ongebruikelijk – negatief saldo van EUR -2,7 miljard.

Deelsaldi lopende rekening (%bbp)

Deelsaldi lopende rekening (% bbp)

De inkomens op de directe investeringen zijn verantwoordelijk voor het gedaalde saldo bij de primaire inkomens. Zowel de ontvangen als de uitgaande inkomens daalden, maar de jaar-op-jaar daling van de ontvangen inkomens met 15% was bijna het driedubbele van die van de uitgaande inkomens. De forse winstdaling bij Shell, gedreven door onder meer de lagere olieprijs, is een belangrijke factor in de gedaalde ontvangsten uit de directe investeringen. Het resulterende inkomenssaldo van EUR 2,9 miljard bij de directe investeringen woog niet langer op tegen de traditionele negatieve saldi bij de inkomens op effecten (EUR -3,4 miljard) en het arbeidsinkomen (EUR -1 miljard). Ook in het goederenverkeer waren de effecten van de olieprijsdaling zichtbaar in lagere in- en uitvoerprijzen; daar stonden nagenoeg compenserende volumestijgingen van de in- en uitvoer tegenover. 

Financieel verkeer en netto extern vermogen

De financiële transacties van Nederland met het buitenland resulteerden in toenames van het netto bezit aan effecten (met EUR 2 miljard) en in mindere mate ook van het saldo directe investeringen en de netto vorderingen uit hoofde van derivaten (beide EUR 400 miljoen). In het effectenverkeer verschilde het transactiesaldo sterk tussen de Bijzondere Financiële Instellingen (BFIs) en de overige sectoren. Exclusief de BFIs nam het netto Nederlands bezit aan effecten toe met EUR 17 miljard, als gevolg van aankopen van buitenlandse effecten ter waarde van EUR 2 miljard en buitenlandse verkopen van Nederlandse effecten ter waarde van EUR 15 miljard. Bij de buitenlandse verkopen speelde ook de beursexit van Ziggo een rol. Ook bij de handel in derivaten was sprake van een groot verschil tussen de BFIs en de overige binnenlandse sectoren. Deze overige sectoren deden grote betalingen aan het buitenland die samenhingen met omvangrijke verliezen op valutaderivaten en, meer uitzonderlijk, futures op grondstoffen, ontstaan als gevolg van (onder meer) de koersdaling van de euro en de scherpe daling van de olieprijs. Bij de directe investeringen hielden forse desinvesteringen van rond de EUR 40 miljard, met name in de vorm van aflossingen van intra-concernleningen door en aan Nederlandse BFIs, elkaar in balans. Het overschot op de lopende rekening sloeg daarmee al met al vooral neer in een toename van de overige vorderingen op het buitenland.

Het netto extern vermogen is door zowel de financiële transacties als door waardeveranderingen gestegen naar EUR 524 miljard ultimo 2014. Daarbij is Nederland, exclusief de sector BFI, ultimo 2014 netto bezitter van effecten geworden. Omdat BFIs daarentegen veel kapitaalmarktpapier uitgeven en een relatief beperkt effectenbezit hebben, geldt dit niet voor Nederland als geheel.

Meer informatie via de pagina 'Betalingsbalans en extern vermogen'