Nederlands spaaroverschot in 2015 wederom gedaald

Statistisch Nieuwsbericht
Datum 29 maart 2016

Het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans kwam over 2015 uit op EUR 62 miljard (9,1% van het bruto binnenlands product). Het overschot daalde hiermee wederom. Het saldo primaire inkomens is eveneens, voor het derde achtereenvolgende jaar, gedaald. Nederland betaalde in 2015 voor het eerst sinds jaren meer primaire inkomens aan het buitenland dan het ontving. Het Nederlandse netto extern vermogen nam in het laatste kwartaal van 2015 toe naar EUR 547 miljard ultimo 2015 (tegenover EUR 504 miljard eind 2014).

Lopende rekening

Het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans kwam over 2015 uit op EUR 62 miljard (9,1% van het bruto binnenlands product). Het overschot kwam volledig voort uit het goederenverkeer, waar de waarde van de uitvoer EUR 78 miljard hoger lag dan de invoerwaarde. Het handelsoverschot daalde wel met bijna EUR 1 miljard ten opzichte van 2014. Hiermee komt een einde aan de reeks van stijgende handelsoverschotten die in 2010 werd ingezet. Het saldo primaire inkomens daalde voor het derde achtereenvolgende jaar, en kwam in 2015 voor het eerst in jaren licht negatief uit (EUR – 0,9 miljard). Vooral het inkomenssaldo op effecten daalde, als gevolg van dividendbetalingen op Nederlandse effecten (inclusief ingehouden winsten van Nederlandse beleggingsfondsen) die in alle kwartalen hoger lagen dan een jaar eerder. Alleen in het dienstenverkeer nam het transactiesaldo met het buitenland toe, met EUR 1,5 miljard. Al met al kwam het overschot op de lopende rekening daarmee licht lager uit dan in 2014.

Het lagere handelssaldo kwam, zowel in het vierde kwartaal als over heel 2015, op het conto van de handel in aardgas en de handel in goederen exclusief energieproducten (de overige goederenhandel). De uitvoer van aardgas lag in alle kwartalen flink lager dan in 2014. In de overige goederenhandel steeg, in lijn met de aantrekkende binnenlandse conjunctuur, de invoer sterker dan de uitvoer.

Financieel verkeer en netto extern vermogen

Het Nederlandse netto extern vermogen nam in 2015 met EUR 43 miljard toe, naar EUR 547 miljard eind 2015. Het saldo van directe-investeringstransacties lag EUR 12 miljard hoger dan in 2014. De bijzondere financiële instellingen (BFI’s) bouwden hun directe investeringen, die deels zijn gefinancierd met de uitgifte van schuldpapier, af. De stijging van het FDI-saldo werd gerealiseerd door de niet-BFI’s, die vooral in de laatste twee kwartalen van 2015 forse directe investeringen deden in het buitenland, waaronder de overname van het Amerikaanse Freescale door het chipbedrijf NXP in 2015K4. Doordat de niet-BFI’s in het vierde kwartaal tevens voor EUR 12 miljard aflosten op intra-concernleningen, resulteerde over heel 2015 een positief saldo van FDI-transacties van EUR 37 miljard.

Ook de effectentransacties droegen in 2015 bij aan de toename van de Nederlandse investeringspositie. In het vierde kwartaal werd dit vooral gedreven door aflossingen op Nederlands schuldpapier, zowel door de BFI´s als door de overige instellingen. Buitenlandse beleggers kochten wel op vrij grote schaal effecten van de Nederlandse niet-financiële instellingen, maar per saldo was sprake van verkoop van Nederlandse effecten ter waarde van EUR 13 miljard. Vooral banken en de overheid losten veel af op geldmarktpapier in handen van buitenlandse beleggers. Door Nederlandse beleggers (uitgezonderd de bijzondere financiële instellingen) werd per saldo voor bijna EUR 1 miljard aan buitenlandse effecten verkocht, met onderliggend netto verkoop van beursgenoteerde aandelen en participaties en netto aankoop van buitenlands kapitaalmarktpapier. Banken en verzekeringsmaatschappijen deden buitenlandse effecten van de hand. Daar stonden positieve netto aankopen van voornamelijk de pensioenfondsen (vooral Amerikaanse en Duitse obligaties) en De Nederlandsche Bank tegenover. Door de daling van de Euro en toegenomen waarde van aandelen en participaties namen de effectenposities uiteindelijk toe, zowel bij de vorderingen (bijdrage waardestijging van EUR 34 miljard) als bij de verplichtingen (EUR 19 miljard).