Grensoverschrijdende derivatenposities door lage rente naar recordhoogte

Statistisch Nieuwsbericht
Datum 18 maart 2013

De lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans is in het vierde kwartaal van 2012 uitgekomen op een overschot van ruim EUR 17 miljard. Het was daarmee min of meer gelijk aan het niveau van een jaar eerder. Ook over geheel 2012 bezien stabiliseerde het saldo op de lopende rekening zich. Het kwam uit op EUR 60 miljard (10 procent van het BBP), ongeveer evenveel als in 2011. Het externe vermogen van Nederland – het verschil tussen buitenlandse activa en passiva – steeg in 2012 met EUR 90 miljard en bedroeg eind december ruim EUR 300 miljard. Financiële derivaten nemen in het externe vermogen een steeds belangrijkere plaats in, zo blijkt uit cijfers die de Nederlandsche Bank vandaag op haar website heeft geplaatst.

Financiële derivaten

Eind 2012 bereikten de marktwaardes van grensoverschrijdende vorderingen en verplichtingen in de vorm van financiële derivaten een niveau van respectievelijk EUR 350 miljard en EUR 320 miljard (zie grafiek 1). Niet eerder registreerde DNB dergelijke hoge posities. De waarde van deze grensoverschrijdende vorderingen en verplichtingen zijn in anderhalf jaar tijd meer dan verdubbeld. In diezelfde periode sloeg het saldo om van EUR 8 miljard negatief tot EUR 30 miljard positief en droeg daarmee bij aan de sterke groei van het externe vermogen van Nederland. 

Grafiek 1 - Marktwaarde grensoverschrijdende posities in derivaten (EUR mrd)

De sterke groei vanaf halverwege 2011 manifesteerde zich in het bijzonder bij rentederivaten. De marktwaarde van interest rate swaps en future rate agreements (de twee meest voorkomende rentederivaten) besloeg eind 2012 ruim 85 procent van het totale grensoverschrijdende bezit aan derivaten. De marktwaardes van de grensoverschrijdende vorderingen en verplichtingen uit hoofde van deze rentederivaten zijn per eind 2012 opgelopen tot respectievelijk EUR 297 miljard en EUR 285 miljard (ongeveer de helft van het BBP). Medio 2011 bedroegen de standen nog EUR 90 miljard en EUR 108 miljard. Dat posities in rentederivaten kunnen oplopen tot dergelijke bedragen komt doordat bestaande derivatencontracten niet worden verhandeld. Als een partij zijn derivatenpositie ongedaan wil maken, dan verkoopt deze partij over het algemeen niet zijn contract, maar sluit een tweede, tegengesteld contract af om zijn positie te elimineren. Hierdoor kan het aantal uitstaande contracten in theorie onbeperkt groeien. Als de rente sterk stijgt of daalt, dan krijgen de contracten al naar gelang de positie een positieve of negatieve marktwaarde. Voor renteswaps is de marktwaarde de contante waarde van het verschil tussen de verwachte rentebetalingen en –ontvangsten. Doordat de marktrente de laatste kwartalen sterk is gedaald, is het verschil tussen deze verwachte geldstromen sterk toegenomen waardoor de marktwaarde van rentederivaten explosief is gegroeid. Daar bovenop zorgt de huidige lage rente voor een lagere verdisconteringsvoet bij het bepalen van de contante waarde van toekomstige betalingen en ontvangsten, waardoor deze hoger uitvalt.

De omvangrijke posities in rentederivaten zijn deels ook het gevolg van de structuur van de Nederlandse economie. Het Nederlandse bankwezen is relatief groot en Nederland wordt eveneens gekenmerkt door een omvangrijke pensioensector. Vanwege de aard van hun activiteiten vormen rentederivaten voor banken en pensioenfondsen een belangrijk middel om risico’s te beheersen. Het renterisico dat banken en pensioenfondsen lopen, verschilt echter sterk. Pensioenfondsen dekken zich in tegen een daling van de lange rente. Doordat de gemiddelde looptijd van hun verplichtingen langer is dan die van hun beleggingen, is de rentegevoeligheid van hun verplichtingen hoger dan die van hun beleggingen. Hierdoor verslechtert de financiële positie van een pensioenfonds bij een rentedaling. Banken daarentegen dekken zich over het algemeen in tegen een stijgende rente. Zij financieren zich gemiddeld genomen kort (bijvoorbeeld met spaartegoeden) en zetten hun gelden voor een langere periode uit.

De daling van de marktrente sinds halverwege 2011 is in beginsel dus gunstig voor banken en ongunstig voor pensioenfondsen. Doordat pensioenfondsen zich hebben ingedekt tegen rentedalingen, behaalden zij winst op hun rentederivaten. Banken daarentegen maakten verlies als gevolg van het zich indekken tegen rentestijgingen. Ter beperking van het tegenpartijrisico, het risico dat een tegenpartij (deels) niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, is het van belang dat derivatencontracten worden gespreid over verschillende tegenpartijen, met als gevolg dat financiële derivaten ook een sterk grensoverschrijdend karakter kennen. Vanaf halverwege 2011 neemt de netto vordering van pensioenfondsen op het buitenland dan ook toe, terwijl banken hun netto buitenlandse verplichting juist sterk zien oplopen.

Grafiek 2 - Grensoverschrijdende netto posities in interest rate swaps en future rate agreements (EUR mrd)