Gevolgen Wet bestuur en toezicht voor pensioenfondsen

Nieuwsbericht
Datum 14 januari 2013

Op 1 januari 2013 is de Wet bestuur en toezicht in werking getreden. Deze wet is van toepassing op zowel ‘grote’ vennootschappen als ‘grote’ stichtingen en geldt dus ook voor pensioenfondsen. Met de inwerkingtreding van de wet wordt voortaan een limiet gesteld aan het maximaal aantal te combineren bestuurs- en toezichtsfuncties. De regels gelden voor alle bestuurders en intern toezichthouders die vanaf 1 januari 2013 (her)benoemd worden.

Dit zijn de belangrijkste elementen van de Wet bestuur en toezicht in het kort: (1) Een pensioenfonds kwalificeert als ‘grote stichting’ afhankelijk van de grootte van de premie-inkomsten, de beheerde activa en/of het aantal medewerkers dat de stichting in dienst heeft. (2) Toezichthouders kunnen maximaal vijf toezichthoudende functies combineren. Het voorzitterschap van een raad van commissarissen telt daarbij voor twee toezichtfuncties. (3) Een bestuurder mag zijn functie met maximaal twee toezichthoudende functies combineren. (4) De functie van uitvoerend bestuurder enerzijds en voorzitter van een raad van commissarissen of niet-uitvoerend bestuurder in een gemengd bestuur anderzijds mogen niet gecombineerd worden.
 
In het Wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen is met een Nota van Wijziging een norm voor tijdsbeslag opgenomen, speciaal voor bestuurders en toezichthouders bij pensioenfondsen. Bij inwerkingtreding van deze lex specialis zou de Wet bestuur en toezicht daarom niet langer van toepassing zijn op bestuurders en toezichthouders van pensioenfondsen. Voorlopig zullen fondsen echter bij een voorgenomen benoeming van een lid van het bestuur of de raad van toezicht uit moeten blijven gaan van de normen zoals die gelden onder de Wet bestuur en toezicht.

> Terug naar de nieuwsbrief