Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

12 april 2016 Toezicht Toezichtlabel Factsheet

Het Single Supervisory Mechanism (SSM) controleert of Nederlandse banken voldoen aan de wettelijke Europese securitisatieregels.

Voor alle Nederlandse banken die securitisaties uitgeven beoordeelt het SSM, in samenwerking met DNB, of sprake is van significante risico overdracht (‘significant risk transfer’, SRT). In Hoofdstuk 1 wordt hierop ingegaan. De Europese wettelijke regels zijn terug te vinden in artikel 242 e.v. CRR.

Voor alle Nederlandse banken die investeren in securitisaties controleert het SSM routinematig en steekproefsgewijs of Nederlandse banken voldoen aan de ‘retentie-eis’ en de ‘due diligence-eis’. In Hoofdstuk 2 wordt hierop ingegaan. De Europese wettelijke regels zijn terug te vinden in artikel 405 en 409 CRR (‘retentie-eis’) en artikel 406 en 408 CRR (‘due diligence’ eisen).

Significant risk transfer

Indien initiërende (uitgevende ) instellingen via securitisaties een aanzienlijk deel van het kredietrisico overdragen (SRT) hoeven zij geen risicogewogen posten meer aan te houden voor de naar de securitisatie overgedragen leningen en worden de risicogewogen posten bepaald aan de hand van het securitisatieraamwerk. Zie artikel 242 e.v. CRR.

Voor het proces van de beoordeling van SRT transacties verwijzen wij voor zowel SI’s als LSI’s naar de public guidance on the recognition of significant credit risk transfer van het SSM

Dit document beschrijft onder andere de notificatievereisten en informatie die banken dienen aan te leveren voor SRT securitisaties, de beoordeling en de monitoring van SRT securitisaties en de communicatie tussen toezichthouder en uitgevende instelling.

Retentie en due diligence

Artikel 405 en artikel 409 CRR behandelen de ‘retentie-eis’. Dit houdt voor banken en beleggingsondernemingen die securitisaties uitgeven in, dat zij een minimumaandeel in het risico van de securitisaties behouden. Banken en beleggingsondernemingen die investeren in securitisaties hebben de verantwoordelijkheid om te controleren dat de betreffende uitgevende instellingen zich ook houden aan de ‘retentie-eis’.

Artikel 406 en artikel 408 CRR behandelen de ‘due diligence’ eisen. Banken en beleggingsondernemingen worden geacht gedegen risicoanalyses te maken van de securitisatieposities waarin zij investeren. Zij dienen aan te tonen dat ze dit hebben gedaan via formele procedures en beleid dat hen hiertoe in staat stelt en analysedocumentatie. De verplichting voor investeerders om inzicht te hebben in de risico’s van hun investeringen in securitisaties laat onverlet dat de uitgever van securitisaties dit inzicht ook dient te hebben en te behouden.

Voor meer informatie over beide vereisten wordt verwezen naar de EBA ‘Final draft RTS on the retention of net economic interest and other requirements related to exposures to transferred credit risk (Articles 405, 406, 408 and 409) of Regulation (EU) No 575/2013’ van 17 december 2013.

A) ‘retentie-eis’

Aan de ‘retentie-eis’ wordt voldaan indien de initiërende instelling, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker aan de investerende instelling expliciet te kennen heeft gegeven permanent een wezenlijk netto economisch belang in de betreffende securitisatie aan te houden van tenminste 5%. Dit staat in artikel 405 CRR. Daarin worden vijf mogelijke manieren beschreven die als het aanhouden van een wezenlijk netto economisch belang van tenminste 5% kwalificeren:

  • Het aanhouden van niet minder dan 5% van de nominale waarde van elk van de tranches die aan de beleggers zijn verkocht of overgedragen (de zogenaamde ‘vertical slice’).
  • In het geval van securitisaties van revolverende blootstellingen, het aanhouden van een initiatorbelang van niet minder dan 5% van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen.
  • Het aanhouden van willekeurig gekozen blootstellingen die niet minder dan 5% van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen vertegenwoordigen, indien zulke blootstellingen anders in de securitisatie zouden zijn betrokken, mits het aantal potentieel gesecuritiseerde blootstellingen bij het initiëren niet minder dan 100 bedraagt.
  • Het aanhouden van de eersteverliestranche en indien nodig andere tranches met hetzelfde of een hoger risicoprofiel die geen vroegere vervaldag hebben dan die welke aan beleggers zijn overgedragen of verkocht, zodat de aangehouden waarde in het totaal niet minder is dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen. (de zogenaamde ‘horizontal slice’).
  • Het aanhouden van een eersteverliesblootstelling van niet minder dan 5% van elke gesecuritiseerde blootstelling in de securitisatie.

B) ‘Due-diligence-eis’

Banken en beleggingsondernemingen moeten voor elk van hun individuele securitisatieposities kunnen laten zien dat zij beschikken over een breed en gedegen inzicht in de risico’s verbonden aan deze beleggingen. Zij dienen formele beleidslijnen en procedures te hebben ingevoerd die zijn afgestemd op hun handels- en niet-handelsportefeuille voor het analyseren en vastleggen van de verschillende risico’s. Deze procedures dienen ook stresstests te bevatten en moeten in verhouding staan tot het risicoprofiel van hun beleggingen in gesecuritiseerde posities.

In ieder geval dienen instellingen ten aanzien van individuele securitisatieposities op de hoogte te zijn van:

  • de wijze waarop en hoe door initiators, sponsors of oorspronkelijke kredietverstrekker voldaan wordt aan de retentie-eis in de securitisatie;
  • de risicokenmerken van de individuele securitisatiepositie;
  • de risicokenmerken van de onderliggende blootstellingen van de securitisatieposities;
  • de reputatie en verlieservaring in eerdere securitisaties van de initiërende instellingen of sponsors in de relevante categorieën van onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie;
  • alle structurele kenmerken van de securitisatie die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de resultaten van de securitisatiepositie van de instelling, zoals de contractuele watervalstructuur en ‘triggers’.
  • de verklaringen en openbaarmakingen van de uitgever van de securitisatie over de ‘due diligence’ die zij in acht hebben genomen met betrekking tot de securitisatie en onderliggende activa, en in voorkomend geval, de methoden en concepten waarop de waardering van de kwaliteit van deze activa berust;Zie voor de volledige bepalingen aangaande retentie artikel 406 en artikel 408 CRR.

C) Controle toezichthouder

Het SSM voert op steekproefbasis een controle uit of banken die investeren in securitisaties voldoen aan de vereisten met betrekking tot onder meer retentie en due diligence. Mocht uw bank in een dergelijke steekproef vallen, dan zal SSM tijdig contact met u opnemen.

Relevant voor:

  • Banken
  • Beleggingsondernemingen