Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

17 februari 2020 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Is de Wet ter Voorkoming van Witwassen en de financiering van Terrorisme (Wwft) ook van toepassing op bancaire en niet-bancaire verhuurders van safes?

Antwoord:

Ja, ook voor verhuurders van safes is de Wwft van toepassing.

Toelichting bij Q&A

Begin 2019 heeft DNB, mede naar aanleiding van de supra national risk assessment (SNRA) van de Europese Commissie, een thematisch onderzoek uitgevoerd bij niet-bancaire verhuurders van safes. De Europese Commissie (EC) beschouwt het verhuren van safes namelijk als een activiteit met een significante blootstelling aan witwasrisico's. In de SNRA2 worden zowel de risico’s voor bancaire als niet-bancaire verhuurders van safes besproken. De EC geeft aan dat middels deze dienst weliswaar geen crimineel geld kan worden omgezet, maar biedt de dienst wel de mogelijkheid om de opbrengsten van misdrijven te verbergen.
Banken die safes verhuren en niet-bancaire ondernemingen die in hoofdzaak hun bedrijf maken van de verhuur van safes (hierna gezamenlijk: verhuurders van safes) vallen in Nederland onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). DNB is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Wwft-verplichtingen door verhuurders van safes3. Om nadere invulling te geven aan de implementatie van de Wwft heeft DNB de Leidraad Wwft en SW opgesteld, die handvatten biedt aan instellingen die onder Wwft-toezicht staan van DNB.4

In juli 2018 is de Wwft aangepast waarbij niet-financiële ondernemingen nu ook onder andere worden geacht een systematische integriteitsrisicoanalyse (SIRA) op te stellen, een adequate governance in te richten en risico gebaseerd cliëntenonderzoek uit te voeren.

Verhuurders van safes moeten op grond van de vernieuwde Wwft onder andere beschikken over:

  • Een Strategische Integriteits Risico Analyse (SIRA, artikel 2b Wwft)
  • Beleid, procedures en processen ter voorkoming van witwassen en de financiering van terrorisme (artikel 2c Wwft)
  • Een dagelijkse beleidsbepaler (eind)verantwoordelijk voor de naleving van de Wwft (Art 24 Wwft)
  • afhankelijk van de aard en omvang van de instelling een Compliancefunctie (artikel 2d Wwft) en een Auditfunctie (artikel 2d Wwft)
  • Een opleidingsprogramma (Artikel 35 Wwft)

Ook is voor verhuurders van safes onderzoek, monitoring en opvolging hiervan voorgeschreven op grond van de Wwft:

  • Adequaat cliëntenonderzoek (artikel 3 Wwft), waaronder:
    • identificatie en verificatie van de cliënt en van de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van de cliënt
    • onderzoek naar het doel en de beoogde aard van de relatie
    • een risicoclassificatie voor de cliënt
    • onderzoek naar de bron van middelen
    • onderzoek naar de vertegenwoordiger en personen die optreden namens een derde
    • voortdurende controle en monitoring op de cliënt
  • Verscherpt cliëntonderzoek bij hoog risico-cliënten, bijvoorbeeld Politically Exposed Persons (PEP’s, Artikel 8 Wwft)
  • Ongebruikelijke transacties onverwijld melden (artikel 16 Wwft)
  • Gegevens adequaat bewaren (Artikel 33 Wwft)

Doel van het thematisch onderzoek in 2019 is vast te stellen op welke wijze verhuurders van safes de wettelijke verplichtingen voortvloeiend uit de Wwft naleven. Daarbij is gekeken naar de mate waarin verhuurders van safes inzicht hebben in hun kwetsbare onderdelen, activiteiten en processen en in hoeverre zij gerichte maatregelen nemen om de integriteitrisico’s ten aanzien van haar cliënten te beheersen.

Uit het thematisch onderzoek is naar voren gekomen dat de sector moeite heeft om haar Wwft verplichtingen voldoende na te leven. De sector heeft behoefte aan aanvullende guidance over de wijze waarop de Wwft kan worden geïmplementeerd en hoe dit door DNB wordt beoordeeld.

Naast de DNB Leidraad Wwft-SW, die aan onder andere verhuurders van safes handvatten biedt bij de implementatie van de Wwft, wordt in deze Q&A voor vier specifieke onderwerpen (SIRA, cliëntenonderzoek, transactiemonitoring en het melden van ongebruikelijke transacties) uiteengezet hoe verhuurders van safes hier invulling aan kunnen geven. Voor het overige wordt verwezen naar de DNB Leidraad Wwft en SW.

1. Waar moet een SIRA aan voldoen?

Op grond van artikel 2b van de Wwft, moeten verhuurders van safes een actuele, adequate SIRA hebben, onder andere ten aanzien van haar klantrelaties, dienstverlening en producten. De analyse dient betrekking te hebben op witwassen en terrorismefinanciering.

De wetgever verlangt een systematische benadering van de integriteitrisico’s. Systematisch houdt ook in dat het een cyclisch proces is: dat betekent dat een instelling de inventarisatie, analyse en de (toetsing van de effectiviteit van de) beheersing periodiek moet doorlopen. Integriteitsrisico’s zijn immers niet statisch. Zowel interne als externe factoren kunnen ervoor zorgen dat risico’s voor een instelling veranderen. Zo kunnen zich bepaalde trends voordoen binnen het financieel-economische verkeer, het productenaanbod kan worden gewijzigd of wet- en regelgeving kan aangepast worden. DNB heeft een brochure gepubliceerd die een praktische toelichting geeft op de invulling van een integriteitsrisicoanalyse 5.

Het regelgevend kader voor een adequaat integriteitbeleid en meer specifiek, het beheersen van het risico op witwassen en terrorismefinanciering, is risicogebaseerd. Dit betekent dat verhuurders van safes wettelijk verplichte maatregelen kunnen afstemmen op de specifieke risico’s die samenhangen met bepaalde cliënten, producten en diensten en de leveringskanalen (de wijze waarop doorgaans het contact met de cliënt plaatsvindt), alsmede de combinatie daarvan. Dit stelt de eigen verantwoordelijkheid van instellingen voorop: safe-verhuurders maken zelf een inschatting van de relevante risico’s en stellen daar vervolgens voldoende mitigerende maatregelen tegenover. Om inzicht te krijgen in de daadwerkelijke risico’s die de verhuurder loopt, is het van belang een systematische analyse te maken van deze integriteitsrisico’s5.

Een belangrijk risico voor verhuurders van safes is dat gebruikers illegale voorwerpen of middelen opslaan in de safe, afkomstig uit criminele activiteiten. In dat kader wijst DNB erop dat wettelijk al sprake is van witwassen als een partij voorwerpen voorhanden heeft die van enig misdrijf afkomstig zijn. Het is van belang dat verhuurders van safes dit risico beheersen. In dit kader verwijst DNB naar de brief van de Minister van Financiën op Kamervragen6, waaruit kan worden afgeleid dat er voor de verhuurders van safes aanleiding kan zijn om een cliënt te verzoeken de inhoud van een safe te tonen. In het verlengde daarvan, is het passend voor een verhuurder van safes om een beheersmaatregel in te stellen voor te identificeren hoog-risico-situaties, die vastlegt dat aan cliënten wordt gevraagd wat in de safe wordt of zal worden bewaard en dat onder nader te benoemen omstandigheden onderzoek naar de inhoud van de safe wordt verricht. Het verdient aanbeveling om hier rekening mee te houden in de Algemene Voorwaarden van de verhuur en de cliënt ervan op de hoogte te stellen dat dit een mogelijke beheersmaatregel is.

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

2. Hoe kunnen verhuurders van safes cliëntenonderzoek uitvoeren?

De Wwft verplicht verhuurders van safes cliëntenonderzoek te doen bij het aangaan van de relatie en dit op een op risico gebaseerde wijze vorm te geven. Dit betekent dat de instelling cliëntenonderzoek doet, maar dat de intensiteit van het onderzoek bepaald kan worden door de risico’s die bepaalde typen cliënten, producten of transacties met zich meebrengen. In gevallen waarin een hoger risico bestaat op witwassen of financiering van terrorisme, wordt verwacht dat de safe-verhuurder aanvullende beheersmaatregelen neemt. Daarnaast moeten de tijdens de duur van deze relatie transacties worden gemonitord. Voor verhuurders van safes wordt een ‘transactie’ als bedoeld in de Wwft uitgelegd als ‘handeling(en) van de cliënt met betrekking tot zijn/haar safe’. In paragraaf 3 leest u meer over het monitoren van transacties.

Het cliëntenonderzoek bestaat uit verschillende onderdelen:

a. Hoe identificeer en verifieer ik mijn cliënt?
Op grond van de artikel 3 lid 2a van de Wwft dient een verhuurder van safes haar cliënt te identificeren, diens identiteit te verifiëren en de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren. Hierbij moet de verhuurder redelijke maatregelen nemen om zijn identiteit te verifiëren, en indien de cliënt een rechtspersoon is, redelijke maatregelen nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt.

Bij het identificeren verstrekt de cliënt gegevens over zijn identiteit. Bij het verifiëren van de identiteit gaat het erom dat de verhuurder vaststelt dat de opgegeven identiteit overeenkomt met de werkelijke identiteit. Aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron (artikel 11 van de Wwft) controleert de verhuurder van safes de juistheid van de door de cliënt opgegeven identiteit. In artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft wordt een aantal documenten genoemd dat hiervoor gebruikt kan worden.

Daarnaast dienen verhuurders van safes door middel van redelijke maatregelen vast te stellen of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt dan wel ten behoeve van een derde (artikel 3 lid 2 sub f Wwft). Indien een cliënt ten behoeve van een derde optreedt dient de aard van de relatie vastgesteld te worden.

Bij een natuurlijke persoon die beweert op te treden als vertegenwoordiger van een cliënt (bijvoorbeeld als bestuurder van een rechtspersoon), stelt de verhuurder van safes vast of deze persoon vertegenwoordigingsbevoegd is. Wanneer een natuurlijke persoon stelt dat hij indirect een rechtspersoon vertegenwoordigt (bijvoorbeeld een bewindvoerder waarbij geldt dat de rechtspersoon de cliënt is), wordt ook de keten van vertegenwoordigingsbevoegdheid vastgesteld. Als deze bevoegdheid is vastgesteld, dan is de cliënt het onderwerp van het cliëntenonderzoek zoals voorgeschreven in artikel 3 Wwft, de natuurlijke persoon die optreedt als vertegenwoordiger wordt geïdentificeerd en zijn identiteit geverifieerd (zie artikel 3 lid 2 onderdeel g Wwft).

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

b. Hoe stel ik het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie vast?
Op grond van artikel 3, tweede lid, sub c, van de Wwft dient een verhuurder van safes vast te stellen wat het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie zijn. Het inwinnen van informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie stelt de verhuurder van safes in staat om eventuele risico’s die de dienstverlening aan de cliënt oplevert, in te schatten.

Een deel van de benodigde informatie zal doorgaans naar voren komen tijdens het contact voorafgaand aan de zakelijke relatie. Het is hierbij van belang te weten wat de reden van de huur van de safe is. In situaties waarin de verhuurder van safes ook andere producten aanbiedt dan de verhuur van safes, kan onderscheid worden gemaakt, ook in de risico-inschatting, tussen bestaande klanten die de verhuur van safes als een extra, nieuw product afnemen en klanten die uitsluitend voor het huren van een safe klant worden. In beide gevallen dienen (aanvullende) vragen gesteld te worden die gericht zijn op de specifieke risico’s van de verhuur van safes. Aanvullende vragen van de verhuurder zijn nodig om helderheid te krijgen over de gebruiker van het product of de afnemer van de dienst. Zo zal een verhuurder van safes bij een cliënt die niet woonachtig of gevestigd is in de buurt van de safe, bijvoorbeeld moeten weten waarom er diensten of producten worden afgenomen bij de instelling.

Inzicht in de reden van de huur en in wat er wordt opgeslagen biedt een verhuurder van safes daarnaast de mogelijkheid om gebruikelijke transactiepatronen te kunnen herkennen. Hierbij brengt de verhuurder in kaart wat voor soort transacties (zoals de hoeveelheid, frequentie en grootte) worden verwacht van de cliënt, gelet op de reden van de huur en wat er wordt opgeslagen. Zo zal voor de opslag van waardepapieren een ander patroon worden verwacht dan bij de opslag van gebruiksvoorwerpen als bijvoorbeeld juwelen. Deze informatie wordt als input gebruikt bij het vaststellen van een (hoog) risicoprofiel van de cliënt en bijbehorende beheersmaatregelen. Daarnaast wordt een verwacht transactieprofiel van de cliënt vastgelegd, dat dient als basis voor de uit te voeren voortdurende controle op de zakelijke relatie.

c. Hoe stel ik de risicoclassificatie van mijn cliënt vast?
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d van de Wwft dient een verhuurder van safes de activiteiten van de cliënt gedurende de relatie te toetsen aan het risicoprofiel dat is opgesteld bij aanvang van de dienstverlening. Uit artikel 8 Wwft volgt dat een verhuurder van safes verscherpt cliëntenonderzoek verricht indien de zakelijke relatie naar haar aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich meebrengt.

DNB verwacht dat verhuurders van safes de voor hen relevante hoog-risico-indicatoren identificeert en deze adresseert bij de acceptatie van de cliënt, bijvoorbeeld door een hoog risicoprofiel toe te kennen aan de klant. Verhuurders van safes kunnen hierbij denken aan indicatoren als beroep of bedrijfsactiviteiten/sector van cliënten, een eventuele PEP-status van de cliënt of UBO van de cliënt, cliënten woonachtig op grote afstand van de gehuurde safe, afwijkend transactiegedrag, verhoogde aandacht van justitie voor een cliënt, cliënten met meerdere safes, cliënten met meerdere gemachtigden of gemachtigden waarbij de relatie met de cliënt niet logisch is, of cliënten met rechtsvormen als bijvoorbeeld een stichting.

Op basis van de geïdentificeerde risico’s horend bij de cliënt zouden verhuurders van safes vervolgens in staat moeten zijn om een risicoprofiel van de cliënt op te stellen en passende beheersmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld:

  • aanvullende stukken opvragen bij cliëntenacceptatie
  • frequenter reviewen of de voortdurende controle van de cliënt intensiveren
  • risico gebaseerd onderzoek doen naar de inhoud van de safe

Bij onacceptabele risico’s zal de verhuurder van safes de potentiële klant niet accepteren of afscheid nemen van bestaande klanten. DNB verwacht dat situaties van onacceptabele risico’s worden gedefinieerd.

d. Hoe voer ik een periodieke review op mijn cliënt uit?
Op grond van artikel 3, elfde lid, van de Wwft, artikel 6, derde lid, van de Wwft en artikel 8, elfde lid, van de Wwft dient een verhuurder van safes redelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de gegevens die ingevolge het cliëntenonderzoek zijn verzameld actueel worden gehouden. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of veranderingen hebben plaatsgevonden die relevant zijn voor de wijze waarop en de diepgang waarmee het doorlopend cliëntenonderzoek moet worden uitgevoerd. Het actueel houden van de gegevens gebeurt periodiek, met inachtneming van de aan een zakelijke relatie of transactie verbonden risico’s. Daarbij betrekken verhuurders van safes ook signalen die aanleiding zouden kunnen vormen voor een wijziging in het risicoprofiel van de cliënt.

DNB verwacht dat verhuurders van safes tijdens een review de informatie uit de voortdurende controle analyseren en daar hun beheersmaatregelen op afstemmen. Zo kan het gedrag van de cliënt (bij voorbeeld opvallende bezoekfrequenties of bezoektijden) aanleiding vormen voor aanvullende vragen of beheersmaatregelen (bijvoorbeeld extra monitoring, additionele vragen aan de cliënt, verzoek aan de cliënt om de inhoud van de safe te laten zien, het melden van een ongebruikelijke transactie bij FIU-Nederland).

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

e. Hoe voer ik verscherpt cliëntenonderzoek bij Politiek Prominente Personen (Politically Exposed Persons: PEP’s) uit?
Onder PEP’s worden personen verstaan die een prominente politieke functie bekleden of hebben bekleed en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen. Het begrip PEP beperkt zich niet tot buitenlandse politiek prominente personen: ook binnenlandse politiek prominente personen vallen onder dit begrip. De definitie van een PEP is uitgewerkt in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.

Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Wwft, dient een verhuurder van safes passende risicobeheersystemen te hebben, waaronder risico gebaseerde procedures, om te bepalen of de cliënt of de UBO een PEP is. In dat geval past een verhuurder van safes aanvullende maatregelen toe bij het aangaan of voortzetten van een zakelijke relatie of met het verrichten van een transactie voor een PEP. Deze aanvullende maatregelen bestaan uit:

  1. toestemming van een persoon die deel uitmaakt van het hoger leidinggevend personeel van de verhuurder voor het aangaan of voortzetten van deze zakelijke relatie
  2. passende maatregelen om de bron van het vermogen en van de middelen die bij deze zakelijke relatie of deze transactie gebruikt worden, vast te stellen
  3. doorlopende verscherpte controle van de zakelijke relatie

DNB verwacht dat verhuurders van safes in staat zijn om te bepalen of mogelijk sprake is van een PEP-status bij haar cliënten en/of UBO’s en of mogelijk aanvullende beheersmaatregelen getroffen moeten worden. Dit kan bijvoorbeeld door het uitvoeren van backgroundchecks op haar cliënten en/of UBO’s, of navraag te doen naar het beroep van de cliënt en/of UBO.

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

3. Hoe moeten verhuurders van safes transacties van cliënten monitoren?

De artikelen 2a, eerste lid, en 3, tweede lid, sub d Wwft 2018 vereisen dat een verhuurder van safes een voortdurende controle uitoefent op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties en dat zij bijzondere aandacht besteedt aan (potentieel) ongebruikelijke transactiepatronen en/of transacties (bijvoorbeeld een afwijkend bezoekpatroon, afwijkende afname van diensten zoals meerdere kluizen op verschillende locaties, huurders of gemachtigden uit hoog-risico landen). Dit is noodzakelijk om te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de verhuurder van safes heeft van de cliënt en diens risicoprofiel (zoals opgesteld bij cliëntacceptatie en periodieke review), met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden. Een transactie als bedoeld in de Wwft wordt ten aanzien van verhuurders van safes uitgelegd als handeling(en) van de cliënt met betrekking tot het gebruik van zijn/haar safe.

Met de voortdurende controle kan de verhuurder inzicht krijgen en houden in de aard en achtergrond van de cliënt en diens gedrag. De controle heeft onder andere tot doel te detecteren of een afwijkend bezoekpatroon plaatsvindt (bijvoorbeeld ten opzichte van vergelijkbare cliënten in het klantenbestand) en of zich mogelijk situaties voordoen die een verhoogd risico met zich meebrengen op witwassen en/of terrorismefinanciering. De instelling controleert doorlopend of sprake is van ongebruikelijke of verdachte gedragingen, patronen of activiteiten. Het is belangrijk dat mogelijk gescheiden monitoring-trajecten op hun mogelijke samenhang worden beoordeeld, bijvoorbeeld voor de transacties die op de rekening van een klant plaatsvinden bij een bank en de transacties in het kader van het gebruik van de safe.

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

4. Wat te doen bij ongebruikelijke transacties?

Artikel 16 van de Wwft vereist dat een verhuurder van safes een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld meldt aan de financiële inlichtingen dienst (FIU-Nederland) nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. Ook wanneer het cliëntenonderzoek niet leidt tot het vereiste resultaat of een zakelijke relatie wordt beëindigd en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme, is de meldingsplicht van toepassing. Verhuurders van safes zijn verplicht geheim te houden dat een melding is gedaan.

In de bijlage bij artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 staat de lijst met indicatoren op grond waarvan gemeld moet worden. Op die lijst staan objectieve en subjectieve indicatoren, die beide relevant zijn voor het identificeren van ongebruikelijke transacties bij verhuurders van safes . DNB verwacht dat verhuurders van safes nadenken over wat subjectieve indicatoren zouden kunnen zijn die duiden op mogelijk witwassen, waarbij gedacht kan worden aan: intensiteit safebezoek dat niet past bij het beoogde doel van safegebruik, het aanhouden van meerdere safes zonder goede onderbouwing, wijziging in frequentie van bezoek, verdacht gedrag van de cliënt, derden die met klant meekomen of veelvuldig wijzigen van machtigingen. Om ongebruikelijke transacties goed te kunnen herkennen, is het noodzakelijk dat een verhuurder van safes voldoende weet over het doel en de beoogde aard van de relatie. Op basis van het aan de hand daarvan vastgestelde verwachte transactiepatroon kan namelijk worden bepaald wat een normaal bezoekpatroon zal zijn en kan worden vastgesteld wanneer van dat normale patroon wordt afgeweken.

Op de website van FIU-Nederland is uiteengezet op welke wijze verhuurders van safes hun melding kunnen invoeren.

DNB verwacht daarnaast dat een verhuurder van safes nadenkt en vastlegt welke acties (naast het melden bij de FIU) zij onderneemt indien zich transacties voordoen die mogelijk ongebruikelijk zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een review van het cliëntendossier, het risicoprofiel van de cliënt wijzigen, vragen aan de cliënt, bewijsmiddelen opvragen voor de herkomst van hetgeen zich in de safe bevindt, onderzoek naar de inhoud van de safe, of het opstarten van een exit traject met een cliënt bij een onaanvaardbaar risico. Bij een cliënt die ook andere producten afneemt verwacht DNB dat bij een dergelijk melding wordt gekeken naar de gehele zakelijke relatie, bijvoorbeeld door een event driven review (een onderzoek naar de cliënt naar aanleiding van een concrete gebeurtenis) uit te voeren.

Zie voor overige guidance de Leidraad Wwft en Sw van DNB.

Relevante wet- en regelgeving

Deze Q&A heeft betrekking op de volgende wet- en regelgeving:

1 In de definitie van financiële onderneming in de Wwft (artikel 1a lid 1 en lid 3 Wwft) wordt verwezen naar degenen die, geen bank zijnde, in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verrichten van een of meer van de werkzaamheden opgenomen onder de punten 2, 3, 5, 6, 9, 10, 12 en 14 van bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten. Punt 14 van deze bijlage noemt: ”verhuur van safes”.
2 Zie ook: http://europa.eu/rapid/press-release_IP-17-1732_en.htm en http://ec.europa.eu/newsroom/just/item-detail.cfm?item_id=81272
3 Zie artikel 1d Wwft lid 1: Met de uitvoering en handhaving van deze wet zijn belast: a. de Nederlandsche Bank N.V.: voor zover het betreft instellingen als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, derde lid, onderdeel a, b, e, f, g en j, of bijkantoren van dergelijke instellingen met zetel buiten Nederland, alsmede instellingen als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel f.
4 https://www.toezicht.dnb.nl/4/6/50-204770.jsp
5 De Integriteitrisicoanalyse
6 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2018Z04844&did=2018D27817

sector

  • Banken