Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

13 augustus 2015 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Hoe zit het met de toepasselijkheid van de verbodsbepaling van artikel 3:5 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) op beleggersgiro's?

Antwoord:

Wat is een beleggersgiro?

Voor beleggingsondernemingen geldt een vereiste van vermogensscheiding, dat moet voorkomen dat financiële instrumenten die toebehoren aan cliënten bij een faillissement van de beleggingsonderneming in de boedel vallen. Eén van de mogelijkheden om te voldoen aan het vereiste van vermogensscheiding vormt het instellen van een beleggersgiro. Dit houdt in dat de beleggingsonderneming het beheer van voor de cliënten aangehouden gelden en financiële instrumenten onderbrengt in een andere rechtspersoon: de beleggersgiro. Deze beleggersgiro verricht geen andere activiteiten dan het beheren van de aan de cliënten van de beleggingsonderneming toebehorende gelden en financiële instrumenten. De voorwaarden waaraan een beleggersgiro moet voldoen staan in artikel 6:17 van de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen.

Is er sprake van opvorderbare gelden?

Onder opvorderbare gelden worden - kortgezegd - deposito's of andere terugbetaalbare gelden verstaan. Het gaat om gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald. Beleggersgiro's kunnen onder omstandigheden opvorderbare gelden aanhouden, zodat het verbod van artikel 3:5 van de Wft van toepassing is.

Uitzondering: doorbetaling

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er in bepaalde gevallen geen sprake is van opvorderbare gelden. Van opvorderbare gelden is bijvoorbeeld geen sprake in het geval van een vooruitbetaling op een concrete kooptransactie of een concrete opdracht tot doorbetaling, zolang de band met de concrete transactie of opdracht bestaat. Meer informatie over doorbetalingen vindt u op deze pagina.

Ontheffing van het verbod

Op grond van artikel 3:5, vierde lid, van de Wft kan DNB in individuele gevallen een ontheffing verlenen van het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die het prudentieel deel van de Wft beoogt te beschermen, voldoende worden gewaarborgd.

DNB verleent in beginsel geen ontheffingen aan beleggersgiro's. Naar het oordeel van DNB is het vanuit prudentieel oogpunt niet wenselijk dat een beleggersgiro opvorderbare gelden aanhoudt. Dit standpunt van DNB is onderwerp geweest van juridische procedures. De hoogste bestuursrechter, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), heeft geoordeeld dat DNB redelijkerwijs tot dit oordeel heeft kunnen komen. U kunt deze uitspraak van het CBb van 3 februari 2015 raadplegen via de website www.rechtspraak.nl. Het kenmerk van de uitspraak is ECLI:NL:CBB:2015:15.

Dit heeft tot gevolg dat een beleggersgiro geen opvorderbare gelden kan aanhouden, omdat het verbod van artikel 3:5 Wft op haar van toepassing is.

sector

  • Banken