Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

25 april 2018 Toezicht

Toezicht

Vraag:

Welke vrijstellingen en uitzonderingen in de CRD en de CRR zijn mogelijk voor HER relevant, en onder welke voorwaarden kunnen HER voor deze vrijstellingen en uitzonderingen in aanmerking komen?

Antwoord:

In de CRD en de CRR zijn diverse vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden en uitzonderingen (waivers/exemptions) opgenomen die voor HER relevant kunnen zijn. Ontheffingen worden op individuele basis verleend en gelden voor een beperkte periode. De relevante vrijstellingen, ontheffingen en uitzonderingen zijn hieronder nader beschreven. Uitgangspunt hierbij is steeds dat de HER een minimum eigen vermogen (initial capital) aanhoudt van EUR 730.000 en tevens voldoet aan alle in artikel 96(1)(b) CRR genoemde voorwaarden, te weten:

  1. de HER houdt geen gelden of financiële instrumenten van cliënten aan;
  2. de HER handelt uitsluitend voor eigen rekening;
  3. de HER heeft geen externe cliënten; en
  4. de uitvoering en afwikkeling van de transacties van de HER vindt plaats onder verantwoordelijkheid en garantie van een clearinginstelling (clearing member).

Art. 7 CRR – Solotoezicht 

De hoofdregel in artikel 6(1) CRR is dat instellingen op individuele basis voldoen aan de in de delen 2 tot en met 5 en 8 van de CRR bepaalde verplichtingen. Op grond van artikel 7 CRR kunnen instellingen een ontheffing van de toepassing van artikel 6(1) CRR aanvragen. Op grond van artikel 7(1) en 7(2) CRR kan de bevoegde autoriteit een ontheffing verlenen, mits aan de voorwaarden die genoemd zijn in artikel 7(1) CRR is voldaan.

Een HER kan een ontheffing als bedoeld in artikel 7 CRR aanvragen bij DNB. Naar aanleiding van deze aanvraag zal DNB toetsen of is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 7 CRR. Deze toetsing is instellingspecifiek. DNB beslist in beginsel binnen acht weken op een complete aanvraag voor een ontheffing, waarbij tussentijds sprake kan zijn van een of meer perioden waarin deze beslistermijn is opgeschort, bijvoorbeeld omdat de aanvrager binnen een door DNB geboden termijn aanvullende gegevens moet aanleveren. Of DNB deze beslistermijn van acht weken kan halen, is dan ook mede afhankelijk van de kwaliteit van de aanvraag.

Art. 15/17 CRR – Geconsolideerd toezicht 

Hoofdregel in artikel 11(1) CRR is dat moederinstellingen in een lidstaat, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 CRR, aan de in de delen 2 tot en met 4 en deel 7 CRR vastgestelde verplichtingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie. Hetzelfde geldt op grond van artikel 11(2) CRR voor onder meer beleggingsondernemingen in de zin van de CRR die onder de zeggenschap staan van een (gemengde) financiële moederholding in een lidstaat.

Specifiek voor groepen van beleggingsondernemingen is in artikel 15 CRR een afwijking voorzien van deze hoofdregel dat de kapitaalvereisten op geconsolideerde basis worden toegepast. Op grond van artikel 15(1) CRR kan de consoliderend toezichthouder op ad-hoc basis ontheffing verlenen van de toepassing op geconsolideerde basis van deel 3 CRR en titel VII, hoofdstuk 4, van de CRD, mits is voldaan aan de voorwaarden die genoemd zijn in artikel 15 CRR.

Op grond van artikel 15(2) CRR kunnen de bevoegde autoriteiten de in artikel 15(1) CRR bedoelde ontheffing ook toepassen als de financiële moederholding minder kapitaal aanhoudt dan de overeenkomstig artikel 15(1)(d) CRR berekende hoeveelheid, maar niet minder dan de som van de kapitaalvereisten die op individuele basis gelden voor – kort gezegd – de dochterondernemingen die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van die dochters. Voor de toepassing van artikel 15(2) CRR dienen dochters in derdelanden aan een notioneel kapitaalvereiste (‘notional own funds requirement’) te worden onderworpen. In artikel 17 CRR zijn nadere regels opgenomen voor het toezicht op beleggingsondernemingen waaraan ontheffing is verleend op basis van artikel 15 CRR.

Een HER kan een ontheffing als bedoeld in artikel 15 CRR aanvragen bij DNB. Naar aanleiding van deze aanvraag zal DNB toetsen of is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 15 (en 17) CRR. Deze toetsing is instellingspecifiek. DNB beslist in beginsel binnen acht weken op een complete aanvraag voor een ontheffing, waarbij tussentijds sprake kan zijn van een of meer perioden waarin deze beslistermijn is opgeschort, bijvoorbeeld omdat de aanvrager binnen een door DNB geboden termijn aanvullende gegevens moet aanleveren. Of DNB deze beslistermijn van acht weken kan halen, is dan ook mede afhankelijk van de kwaliteit van de aanvraag.

Art. 6(4) CRR – Liquiditeitstoezicht

NB: geactualiseerde tekst

Op grond van artikel 3:63, eerste lid, van de Wft moeten onder meer beleggingsondernemingen in de zin van de CRR die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland beschikken over voldoende liquiditeit, voor zover bij algemene maatregel van bestuur bepaald. Dit is nader ingevuld in artikel 106a van het Bpr, waaruit volgt dat de liquiditeitsregels van deel 6 van de CRR mede van toepassing zijn op HER.

Op grond van artikel 6(4) CRR kunnen de bevoegde autoriteiten (in dit geval DNB) beleggingsondernemingen van de liquiditeitsregels van deel 6 van de CRR vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming. Een belangrijke reden is dat de Europese Commissie op 20 december 2017 een wetgevend voorstel heeft gepubliceerd voor een nieuw prudentieel regime voor beleggingsondernemingen, waarin tevens is voorzien in liquiditeitsregels. In afwachting van deze nieuwe regels acht DNB het passend en proportioneel om gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 6(4) CRR.

Om van de liquiditeitsregels te kunnen worden vrijgesteld, dient een HER (die voldoet aan alle in artikel 96(1)(b) CRR genoemde voorwaarden) op grond van artikel 6(4) CRR een individuele ontheffing aan te vragen bij DNB. DNB verwacht van een HER dat zij in die aanvraag ingaat op de wijze waarop zij haar liquiditeitspositie doorlopend monitort. Een ontheffing op grond van artikel 6(4) CRR zal in beginsel tot en met 31 december 2019 gelden, tenzij sprake is van significante wijzigingen in de aard, omvang en complexiteit van de activiteiten van de HER. Dergelijke significante wijzigingen dient een HER onverwijld aan DNB te melden.

Ook op geconsolideerde basis kan een HER een ontheffing verkrijgen van de liquiditeitsregels van deel 6 van de CRR, onder dezelfde voorwaarden. Deze geconsolideerde ontheffing, die berust op artikel 11(3) CRR, moet afzonderlijk worden aangevraagd, maar kan worden gecombineerd met een aanvraag voor een individuele ontheffing voor een HER op grond van artikel 6(4) CRR. Ook een ontheffing op geconsolideerde basis op grond van artikel 11(3) CRR geldt in beginsel tot en met 31 december 2019.

Art. 129(2) en 130(2) CRD - Kapitaalbuffervereisten

Artikel 129(2) CRD voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid voor kleine en middelgrote beleggingsondernemingen van de kapitaalconserveringsbuffer (capital conservation buffer – CCB), mits die vrijstelling geen bedreiging vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Het gaat hierbij om kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in Aanbeveling nr. 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (Pb L 124 van 20.5.2003). Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO's) behoren volgens deze Aanbeveling uit 2003 ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan tevens de jaaromzet lager is dan EUR 50 miljoen, dan wel het jaarlijkse balanstotaal lager is dan EUR 43 miljoen. In de Nederlandse context kunnen HER die kwalificeren als KMO (ook MKB-bedrijf genoemd) worden vrijgesteld van de CCB-buffer, op grond van artikel 3:3 Wft en de (ministeriële) Vrijstellingsregeling Wft. Vooralsnog is deze ministeriële vrijstellingsmogelijkheid niet geëffectueerd.

Ook voor de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer (institution-specific countercyclical capital buffer – CCyB) geldt op grond van artikel 130(2) CRD dat kleine en middelgrote beleggingsondernemingen hiervan kunnen worden vrijgesteld, mits die vrijstelling geen bedreiging vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Tot op heden is ook deze ministeriële vrijstellingsmogelijkheid niet geëffectueerd.

Art. 6(5) en Art. 16 CRR – Hefboomfinanciering / Leverage Ratio 

De verplichtingen uit deel 7 van de CRR inzake hefboomfinanciering (leverage ratio) gelden niet voor HER die voldoen aan alle in artikel 96(1)(b) CRR genoemde voorwaarden. Deze uitzondering geldt zowel op individuele basis (solo) als op geconsolideerde basis.

Op grond van artikel 6(5) van de CRR zijn beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95(1) en artikel 96(1) CRR immers uitgezonderd van de verplichting om op individuele basis (solo) te voldoen aan de vereisten inzake hefboomfinanciering van deel 7 van de CRR. Op grond van artikel 16 CRR geldt dezelfde uitzondering op geconsolideerde basis voor groepen van beleggingsondernemingen waarvan alle entiteiten, inclusief de moederentiteit, zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 6(5) CRR.

Art. 388 CRR – Large exposures / concentration risk

HER die voldoen aan alle voorwaarden genoemd in artikel 96(1)(b) CRR zijn zowel op individuele basis (solo) als op geconsolideerde basis uitgezonderd van de verplichtingen van deel 4 van de CRR, dat ziet op grote risicoblootstellingen (large exposures).

In de eerste volzin van artikel 388 CRR (“Negatieve werkingssfeer”) is immers bepaald dat deel 4 van de CRR (inzake grote risicoblootstellingen / large exposures) niet van toepassing is op beleggingsondernemingen die aan de in artikel 95(1) of 96(1) CRR beschreven criteria voldoen. Ingevolge de tweede volzin van artikel 388 CRR geldt deze uitzondering van de grote postenregeling ook op geconsolideerde basis, indien de groep louter bestaat uit beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95(1) of 96(1) CRR en ondernemingen die nevendiensten verrichten, en mits die groep geen kredietinstellingen omvat.

Gerelateerde wet- en regelgeving