Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

02 maart 2016 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Mag een startend pensioenfonds of een startende kring van een algemeen pensioenfonds (APF) een financiële opzet vaststellen die ertoe leidt dat reeds in de eerste jaren van de uitvoering van de pensioenregeling met grote waarschijnlijkheid tot korten moet worden overgaan?

Antwoord:

Nee, dit mag niet. Er zijn verschillende bepalingen in de Pensioenwet die betrekking hebben op de financiële opzet van een (startend) pensioenfonds of een (startende) collectiviteitskring van een APF. Het gaat in het bijzonder om de volgende bepalingen:

  • Artikel 105 Pensioenwet over evenwichtige belangenafweging. Een pensioenfonds of het bestuur van een APF ten aanzien van een collectiviteitskring (verderop: kring) van een APF dient te kunnen onderbouwen dat sprake is van evenwichtige belangenafweging in relatie tot de gekozen financiële opzet.
  • Artikel 143 Pensioenwet over beheerste en integere bedrijfsvoering, zoals uitgewerkt in de artikelen 18 en 21 van het Besluit FTK. Die artikelen schrijven voor dat een pensioenfonds een beleid voert dat gericht is op het duurzaam beheersen van financiële risico’s en andere dan financiële risico’s. Een pensioenfonds of een kring van een APF dat kiest voor een financiële opzet als gevolg waarvan een herstelplan moet worden ingediend of een lage dekkingsgraad ontstaat, dient deze keuze in het licht van de norm van het voeren van een beleid gericht op duurzaam beheersen van financiële risico’s, met behulp van een stochastische analyse over een periode van 10-15 jaar te onderbouwen.
  • Artikel 134 Pensioenwet over korten. Indien een startend pensioenfonds of startende kring van een APF kan voorzien dat het al op korte termijn kortingen verwacht te moeten toepassen, dan voldoet het niet aan de bepaling uit artikel 134 dat korten een ultimum remedium is dat pas kan worden ingezet als alle overige sturingsmiddelen zijn ingezet. Er is dan geen sprake van een toereikende financiële opzet.

Een houdbare financiële opzet houdt in dat er een balans is tussen de driehoek premiebeleid, pensioenambitie en mate waarin (via de beleggingen) risico wordt gelopen. Gegeven een bepaalde pensioenambitie en gegeven de mate waarin risico wordt genomen, kan bij een startend fonds/kring de premiedekkingsgraad dusdanig laag zijn (ook als wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de kostendekkende premie) dat niet langer sprake is van een houdbare financiële opzet. Immers, bij startende fondsen is de premie doorgaans van grote invloed. De bovengenoemde vereisten ten aanzien van financiële opzet kunnen daarom impliceren dat bij een startend fonds/startende kring het vaststellen van de feitelijke premie niet de maximale ruimte kan worden benut die artikel 128 Pensioenwet zoals uitgewerkt in artikel 4 van het Besluit FTK biedt.

Toelichting

Een startend pensioenfonds of kring van een APF moet bij aanvang beschikken over een houdbare financiële opzet. Immers, als reeds op voorhand sprake is van onvoldoende solide en evenwichtige invulling van het beleid, kan geen sprake zijn van een houdbare uitvoering van het pensioencontract. De financiële opzet moet bovendien voldoen aan de eis van evenwichtige belangenafweging. Het bestuur van een pensioenfonds moet kunnen onderbouwen dat het de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig heeft afgewogen bij het te voeren beleid.

Het premiebeleid van een startend fonds of startende kring van een APF heeft doorgaans grote invloed. Een fonds mag de kostendekkende premie dempen op grond van artikel 128 Pensioenwet. Er zijn twee vormen van premiedemping. Ten eerste demping op basis van een voortschrijdend gemiddelde van de rente (met een maximumperiode van 10 jaar). Ten tweede demping op basis van verwacht rendement. Beide vormen van premiedemping kunnen leiden tot premies met een lage premiedekkingsgraad. Naarmate een pensioenfonds minder aanspraken op de balans heeft staan, heeft de premiedekkingsgraad meer effect op de dekkingsgraad. Dit in tegenstelling tot rijpe fondsen: daarbij is het premie-instrument over het algemeen ‘bot’.

Een financiële opzet met een lage premiedekkingsgraad van een startend fonds of een startende kring van een APF hoeft niet meteen te leiden tot korten in het eerste jaar, terwijl het er wel toe leidt dat het fonds al na één kwartaal een herstelplan conform artikel 138 Pensioenwet in moet dienen. DNB verwacht van het startend pensioenfonds of een startende collectiviteitskring van een APF in het geval dat het fonds of de kring bij aanvang voorziet dat het een herstelplan moet indienen, dat het goed onderbouwt hoe dit zich verhoudt tot de artikelen 18 en 21 van het Besluit FTK op grond waarvan een beleid gericht op het duurzaam beheersen van financiële en andere dan financiële risico’s wordt beheerst. In dat kader verwacht DNB een stochastische analyse voor de komende 10-15 jaar waaruit de houdbaarheid van de financiële opzet blijkt. Daarbij kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van de scenario’s die ook gebruikt worden bij de haalbaarheidstoets.

In het herstelplan van een startend fonds of startende collectiviteitskring van een APF mag geen verwachte korting zijn opgenomen gedurende de looptijd van het herstelplan. Een startend pensioenfonds of startende collectiviteitskring van een APF dat bij aanvang al een verwachte korting moet opnemen in een herstelplan heeft naar oordeel van DNB geen houdbare financiële opzet. Het korten van aanspraken mag immers op grond van artikel 134 Pensioen uitsluitend als ultimum remedium worden ingezet en mag op grond van de artikelen 24 tot en met 26 Besluit financieel toetsingskader niet als structureel sturingsmiddel worden ingezet. Een financiële opzet waarbij het korten van aanspraken op voorhand nodig is om aan de wettelijke eisen ten aanzien van het (minimaal) vereist eigen vermogen te voldoen is derhalve niet toereikend. Dit laat overigens onverlet dat achteraf gezien de inzet van het kortingsinstrument noodzakelijk kan blijken te zijn. Overigens mag een startend pensioenfonds of startende collectiviteitkring van een APF evenmin een financiële opzet kiezen en de premie dusdanig dempen dat het bij de start al voorziet dat het over vijf jaar inzet van de maatregel MVEV uit artikel 140 Pensioenwet nodig heeft. Ook dat getuigt niet van een toereikende financiële opzet.

Merk op dat de situatie waarin een fonds met een dekkingstekort tot een algemeen pensioenfonds toetreedt in een eigen collectiviteitkring, waarbij de financiële opzet en risico’s voor de deelnemers niet veranderen, gezien kan worden als voortzetting van een bestaande situatie. Dergelijke gevallen worden daarom niet beschouwd als startend fonds of collectiviteitskring in de zin van deze Q&A.

sector

  • Pensioenfondsen