Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

22 oktober 2015 Toezicht

Toezicht

Sommige ondernemings, bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen hebben hun risico's geheel of gedeeltelijk ondergebracht/overgedragen aan een verzekeraar. Deze fondsen worden vaak aangeduid als 'herverzekerde' fondsen. Deze term zal hier verder niet worden gebruikt. De Europese Commissie heeft in 2010 een overeenkomst tussen een fonds en een verzekeraar als directe verzekering en niet als herverzekering gekwalificeerd. Juridisch gezien is er dan ook geen sprake van een 'herverzekerd' fonds maar van een verzekerd fonds.

Fondsen die hun risico bij een verzekeraar verzekeren vallen gewoon onder het financieel toetsingskader (FTK). Deze fondsen lopen voor het verzekerde deel evenwel geen verzekeringstechnisch- en beleggingsrisico meer. Daarom mogen deze fondsen een kleiner Mimimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) en - in geval van gedeeltelijk herverzekerde fondsen - Vereist Eigen Vermogen (VEV) aanhouden. Een fonds dat zijn risico's geheel of gedeeltelijk heeft verzekerd bij een verzekeraar, is de facto dan ook niet langer verplicht een (VEV) voor het verzekerde deel aan te houden. Wel zullen geheel of gedeeltelijk verzekerde fondsen altijd over een (MVEV) moeten beschikken. Het fonds loopt voor het verzekerde deel nog steeds kredietrisico op de verzekeraar. Echter, sinds 1 februari 2011 hoeven deze fondsen dit kredietrisico niet langer verplicht te adresseren.

Marktwaardering vordering op verzekeraar 

De Pensioenwet (PW) en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) gaan uit van het principe van marktwaardering van de bezittingen van het fonds. Dat betekent dat de vordering op de verzekeraar in beginsel op marktwaarde moet worden gewaardeerd. Echter, bij de waardering van de vordering op de verzekeraar hoeft het fonds op grond van de wijziging van het Besluit FTK vanaf 1 februari 2010 niet langer rekening te houden met het kredietrisico dat het fonds op deze vordering loopt. Dat betekent dat fondsen niet langer verplicht zijn een afslag op de vordering op de verzekeraar toe te passen.

Minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) 

Voor fondsen die hun risico's volledig hebben verzekerd bij verzekeraar bedraagt de hoogte van het MVEV:

  • 1% van de technische voorzieningen, indien beheerslasten zijn vastgelegd voor meer dan 5 jaar, of
  • 25% van de jaarlijkse netto beheerslasten, indien de beheerslasten zijn vastgelegd voor 5 jaar of minder.

Daarnaast moeten deze fondsen met een nabestaandenpensioen of een arbeidsongeschiktheidspensioen dat geheel of gedeeltelijk is herverzekerd, een kleine marge in het MVEV aanhouden..

Vereist eigen vermogen (VEV) 

In beginsel vallen fondsen die hun risico's hebben ondergebracht/overgedragen aan een verzekeraar gewoon onder de verplichting een VEV aan te houden. De facto zal dit voor fondsen die hun risico's volledig hebben ondergebracht/overgedragen, betekenen dat het VEV nihil is. Immers, vrijwel alle risico's die bij het bepalen van de omvang van het VEV op basis van het standaardmodel aan de orde zijn, zoals genoemd in artikel 24 van het Besluit FTK, zijn niet aan de orde bij dergelijke fondsen. Dat geldt bijvoorbeeld voor risico's als het verzekeringstechnische risico, het renterisico, het aandelen- en vastgoedrisico, het valutarisico, het grondstoffenrisico, het liquiditeitsrisico, het concentratierisico en het operationeel risico. Die risico's zijn immers door de verzekeraar overgenomen. Alleen het kredietrisico dat fondsen lopen op de verzekeraar is aanwezig, echter dat hoeft op grond van het per 1 februari 2011 gewijzigde Besluit FTK niet te worden geadresseerd. Voor fondsen die hun risico's gedeeltelijk hebben verzekerd, geldt dat het VEV nihil is voorzover het gaat om het verzekerde deel. Pensioenfondsen mogen overigens op vrijwillige basis uit hoofde van prudentie toch rekening houden met het kredietrisico.

Toets op complete overdracht 

Bij fondsen die hun risico's naar een verzekeraar overbrengen, komen verschillende contractsvormen voor. Voorkomen moet worden dat het contract dusdanige elementen bevat dat het fonds bijvoorbeeld na afloop alsnog verzekeringstechnisch- en/of beleggingsrisicio's loopt. Daartoe toetst DNB of het contract met de verzekeraar aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Staat vast dat het fonds na afloop van het contract de pensioenrechten premievrij en zonder verdere kosten (nu en in de toekomst) bij de verzekeraar achter kan laten?
  • Staat vast dat het fonds nooit is gehouden meer te betalen dan de vooraf overeengekomen jaarpremie (uitgezonderd de kosten voortvloeiend uit mutaties binnen het bestand)?
  • Staat vast dat indien is gekozen voor de systematiek waarbij na beëindiging van de verzekeringsovereenkomst het fonds nog garantie- en administratiekosten verschuldigd is aan de verzekeraar die worden ingehouden op de toekomstige winstdeling, die kosten nooit hoger kunnen zijn dan de winstdeling?

Indien een pensioenfonds voldoet aan alle criteria merkt DNB het herverzekerde deel van het fonds aan als compleet herverzekerd. Indien DNB het herverzekerde deel niet als compleet herverzekerd aanmerkt, loopt het fonds mogelijk alsnog zelf risico's en wordt het behandeld (ook voor dat deel) als een regulier eigen beheer fonds.
Het beleid van DNB op dit punt is vastgelegd in een Q&A.

Uitsluitingsclausule 

Sommige herverzekerde fondsen hanteerden een clausule in het pensioenreglement die inhoudt dat het fonds deelnemers alleen datgene uitbetaalt wat het van de verzekeraar ontvangt. Een dergelijke uitsluitingsclausule is verboden. Dit vloeit voort uit artikel 5 Pensioenwet en artikel 3 WVB op grond waarvan een fonds aansprakelijk blijft jegens een deelnemer voor het geval een werkgever de pensioenuitvoerder geen of onvolledige informatie geeft over te verzekeren aspecten met betrekking tot die deelnemer. Daarnaast is een dergelijke clausule strijdig met artikel 134 Pensioenwet over korting van pensioenaanspraken en -rechten. In geval een verzekeraar in gebreke blijft kan dat ertoe leiden dat een bij die verzekeraar verzekerd fonds onverhoopt moet korten op aanspraken. Bij zo’n korting dient aan alle eisen van artikel 134 Pensioenwet te worden voldaan, hetgeen onder andere inhoudt dat het fonds eerst eventuele eigen middelen moet aanwenden ter voorkoming of vermindering van die korting. Het fonds moet zich dan niet kunnen beroepen op een uitsluitingsclausule. Uitsluitingsclausules blijven kortom verboden, ook nu het mogelijk is het kredietrisico op de verzekeraar niet te adresseren.

Keuze om het kredietrisico niet langer te adresseren 

Indien een herverzekerd pensioenfonds besluit gebruik te maken van de mogelijkheid in de regelgeving om geen rekening te houden met het kredietrisico, dient het dit voorgenomen besluit voor te leggen aan het verantwoordingsorgaan. DNB hecht er aan dat deelnemers geïnformeerd worden over het niet adresseren van het kredietrisico. Indien onverhoopt een verzekeraar in gebreke blijft, dienen deelnemers niet verrast te zijn dat het fonds hier geen maatregelen voor getroffen heeft.

Rapportage 

Het rapportagekader geldt voor herverzekerde fondsen die hun risico's geheel of gedeeltelijk hebben ondergebracht/overgedragen aan een verzekeraar evenals voor eigen beheer fondsen. Het is de verantwoordelijkheid van de verzekerde fondsen om te bepalen in hoeverre de staten op hen van toepassing zijn. De actuariële onderdelen van de jaarrapportage behoeven een verklaring van een bevoegde actuaris. Daarnaast moet de jaarrapportage voorzien zijn van een verklaring van een certificerende accountant.

Toezicht DNB 

DNB houdt risicogebaseerd toezicht. Dat wil zeggen dat het zijn inspanningen met name op die instellingen richt, waar de risico's het grootst zijn. Nu het kredietrisico niet meer hoeft te worden geadresseerd, is het aantal prudentiële risico's op grond van de wet beperkter. Dat betekent dat het toezicht een ander karakter krijgt. Uitgangspunt blijft uiteraard dat het bestuur van een dergelijk fonds verantwoordelijk is voor de naleving van de wet en regelgeving.