Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

12 januari 2015 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Wanneer moet een fonds een aanvullend partieel model ontwikkelen?

Antwoord:

Een pensioenfonds dat de standaardmethode toepast moet jaarlijks beoordelen of het vereist eigen vermogen in het standaardmodel het risicoprofiel van het fonds adequaat weergeeft. In het bijzonder moet worden aangegeven of bij het fonds sprake is van materiële risico’s die in het standaardmodel niet of niet adequaat worden meegenomen. Dit is bijvoorbeeld het geval, indien sprake is van een aantoonbare materiële afwijking van het risicoprofiel van een belegging of beleggingsportefeuille ten opzichte van de uitgangspunten van het standaardmodel. Indien dit het geval is, wordt voor de betreffende specifieke risico’s een zogenaamd partieel intern model gehanteerd. Hoe groter de afwijking van het in het standaardmodel veronderstelde risicoprofiel, hoe groter de noodzaak van een partieel intern model in aanvulling op het standaardmodel.

Toelichting

Het standaardmodel gaat er vanuit dat het eigen vermogen van het pensioenfonds adequaat wordt beschreven door een set standaardscenario’s. Deze scenario’s in het standaardmodel zijn zodanig gekalibreerd dat ze van toepassing zijn op gespreide portefeuilles. Daarbij wordt verondersteld dat de beheersing van liquiditeitsrisico’s, operationele risico’s en concentratierisico’s dusdanig is dat de potentiële gevolgen hiervan op het eigen vermogen niet materieel zijn. Omdat deze risico’s wel degelijk tot verliezen kunnen leiden is het van belang dat pensioenfondsen nagaan in hoeverre deze risico’s binnen het totale risicoprofiel een rol spelen en hoe zij deze risico’s beheersen. Afhankelijk van de materialiteit en de beheersing, kan een hoger VEV voor deze risico’s gerechtvaardigd zijn aan de hand van een aanvullend partieel intern model.

Voorbeelden van beleggingen die aanleiding kunnen geven voor een partieel intern model zijn materiële posities in alternatieve beleggingsvormen, zoals infrastructuur, materiële derivatenposities die gevoelig zijn voor veranderingen in (implied) volatiliteiten, of materiële posities in gestructureerde producten. In de eerste twee voorbeelden kan sprake zijn van risico’s die niet in het standaardmodel worden meegenomen. In het laatste voorbeeld kan sprake zijn van complexe interacties tussen verschillende risicoscenario’s die niet goed in het standaardmodel tot uitdrukking komen.

Een risicoscenario in een partieel intern model is specifiek voor een belegging of voor de beleggingsportefeuille van het fonds en onderscheidt zich van risicoscenario’s in het standaardmodel. Dit betekent onder meer dat partiële interne modellen niet kunnen worden gebruikt om de bestaande risicoscenario’s uit het standaardmodel te vervangen door intern vastgestelde scenario’s. Dit betekent bijvoorbeeld dat er geen partieel intern model kan worden toegepast voor het aandelenrisico bij beleggingen in ‘smart beta’ strategieën. Op aandelenposities worden namelijk de risicoscenario’s toegepast uit het standaardmodel. Een partieel intern model voor ‘smart beta’ strategieën wordt gezien als vervanging van het aandelenrisicoscenario. Vervanging van risicoscenario's kan alleen binnen een volledig intern model.

De ontwikkeling van een volledig intern model is aan de orde indien het standaardmodel in combinatie met een partieel intern model het risicoprofiel onvoldoende kan accommoderen.

Relevant voor:

  • Pensioenfondsen