Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

16 januari 2015 Toezicht Toezichtlabel Factsheet

Renterisico is potentieel één van de belangrijkste risico’s voor pensioenfondsen. In het standaardmodel is een berekening voorgeschreven die bepaalt hoeveel vereist eigen vermogen (S1) hiervoor moet worden aangehouden.

De meeste pensioenfondsen kennen een (veel) langere looptijd voor hun verplichtingen dan voor hun bezittingen. Vanwege deze mismatch op de balans loopt een fonds renterisico. Immers als de rente daalt, nemen de verplichtingen veel sterker toe dan de waarde van de bezittingen. Het standaardmodel bevat voorgeschreven rentescenario’s om het vereist eigen vermogen voor dit risico te bepalen. Voorbeelden van rentegevoelige beleggingen zijn (bedrijfs)obligaties, inflation linked bonds, convertibles en rentederivaten.

Rentescenario’s
Artikel 1 van bijlage 3 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioen­regeling geeft rentefactoren om op basis van de geldende rentetermijnstructuur een rentestijging of rentedaling af te leiden voor zowel de nominale als de reële rente. Zo geldt voor de looptijd 16 jaar rentefactor 1,32 resp. 0,76 voor een stijging resp. daling van de nominale rente en een rentefactor 1,16 resp. 0,88 voor een stijging resp. daling van de reële rente.

Het scenario voor het renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. De rentetermijnstructuur wordt daartoe per looptijd vermenigvuldigd met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. Indien de nominale rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1)* 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1)* 4%). De actuele rentetermijnstructuur wordt maandelijks op de website van De Nederlandsche Bank gepubliceerd. Voor rentegevoelige beleggingen waarvan de waarde afhangt van de reële rente, zoals inflation linked bonds, wordt de reële renteverandering op soortgelijke wijze afgeleid door de reële rentefactoren toe te passen op de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur.

Meest negatieve scenario
Fondsen kunnen de waardeverandering voor verplichtingen en bezittingen afzonderlijk berekenen, na toepassing van de aldus afgeleide daling/stijging in de rente en vervolgens het netto (totaal) effect op het surplus van het fonds bepalen. Het netto verlies van het meest negatieve scenario wordt gebruikt als input voor de bepaling van het vereist eigen vermogen. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. De absolute waarde van dit getal wordt in de wortelformule aangeduid als S1.

Correlatie met andere risico’s
In de berekening van het vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van een correlatie van 0,4 tussen neerwaartse renteschokken en aandelenrisico en een correlatie van 0,4 tussen neerwaartse renteschokken en het kredietrisico (S5). Met de andere risicocategorieën wordt geen correlatie verondersteld.

sector

  • Pensioenfondsen