Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

16 januari 2015 Toezicht

Toezicht

Pensioenfondsen lopen het risico dat creditspreads wijzigen en daarmee de waarde van beleggingen waarvoor sprake is van kredietrisico, zoals bedrijfsobligaties of gestructureerde producten. In het standaardmodel is een berekening van de gevoeligheid van het eigen vermogen voor kredietrisico (S5) voorgeschreven.

Het risicoscenario voor de berekening van het kredietrisico gaat uit van een stijging van de creditspread van kredietgevoelige beleggingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar ratingklasse:

  • Instrumenten met een AAA of equivalente rating: +60 basispunten
  • Instrumenten met een AA of equivalente rating: +80 basispunten
  • Instrumenten met een A of equivalente rating: +130 basispunten
  • Instrumenten met een BBB of equivalente rating: +180 basispunten
  • Instrumenten met een lagere rating of instrumenten zonder rating: +530 basispunten

Fondsen lopen het risico dat creditspreads stijgen. Een oorzaak van een dergelijke stijging is bijvoorbeeld een verslechterd vooruitzicht van de economische groei. Bij een toename van de creditspread neemt de waarde van de beleggingen af. Naast bedrijfsleningen kunnen onder meer ook gestructureerde producten, vorderingen op een tegenpartij of onderhandse derivatencontracten blootstaan aan kredietrisico.

Bij de berekening van het vereist eigen vermogen mag het kredietrisico gelijk aan nul worden verondersteld voor Europees staatspapier met een AAA of equivalente rating.

Creditspread
Kredietrisico komt tot uitdrukking in de rentemarge van kredieten, de zogenoemde creditspread. Dit is het verschil tussen het effectieve rendement op een verzameling kasstromen waarvan de uitkering afhangt van de kredietwaardigheid van tegenpartijen en het effectieve rendement op dezelfde verzameling kasstromen indien die met volledige zekerheid tot uitkering zouden komen.

Ratingklasse
De ratingklasse wordt zoveel mogelijk bepaald op basis van het oordeel van een gekwalificeerde derde partij. De Nederlandsche Bank kan hierover nadere regels stellen, bijvoorbeeld over de manier waarop het fonds omgaat met ratings van externe partijen alsook over de manier waarop het fonds zelf tot een beoordeling van de ratingklasse komt, bijvoorbeeld voor een specifieke kredietportefeuille. In beginsel gaat de voorkeur uit naar het vaststellen van de kredietklasse op basis van een externe rating. Als er geen externe rating beschikbaar is dan wel geoordeeld wordt dat deze van onvoldoende kwaliteit is, kan het fonds ook zelf een rating vaststellen op basis van een eigen risicoanalyse. Indien ook dat laatste niet goed mogelijk is, wordt een schok van 530 basispunten toegepast.

Berekening S5
Het kredietrisico (S5) wordt bepaald aan de hand van scenario’s behorend bij verschillende ratingklassen. De fondsen lopen het risico dat creditspreads wijzigen en daarmee de waarde van beleggingen. Bij een toename van creditspreads neemt de waarde van de beleggingen doorgaans af. In de risicoscenario’s wordt daarom uitgegaan van een absolute stijging van creditspreads. De mate waarin een pensioenfonds gevoelig is voor een verandering van creditspreads hangt onder meer af van de looptijdkarakteristieken van de kasstromen van instrumenten in de portefeuille.

Correlaties
Bij de aggregatie van over verschillende risicofactoren wordt tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds een correlatie van 0,40 verondersteld indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging. Tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds wordt een correlatie van 0,50 verondersteld.

Andere kredietrisico’s
Bij de vaststelling van de scenario’s voor kredietrisico is uitgegaan van bepaalde kenmerken van de beleggingen van pensioenfondsen. Er wordt van uitgegaan dat fondsen alleen systematisch kredietrisico lopen. Verondersteld wordt dat de beleggingen goed gespreid zijn naar looptijd, regio’s en sectoren. Indien de beleggingen van een pensioenfonds materieel afwijken van deze veronderstellingen, dan kan het pensioenfonds meer risico lopen dan verondersteld wordt in het standaardmodel. Een partieel intern model kan dan nodig zijn.