Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

03 april 2015 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Op welke wijze moet worden berekend hoeveel bestendige toeslagverlening kan worden verleend boven de beleidsdekkingsgraad van 110%? En hoe wordt dan de maximaal te verlenen toeslag bepaald als de toeslagverlening uitgaat van een maatstaf als loon- of prijsinflatie?

Antwoord:

De hoogte van de (maximaal) te verlenen toeslag wordt in drie stappen bepaald:

  1. Het voor toeslagverlening beschikbare vermogen wordt berekend;
  2. Op basis van dit beschikbare vermogen wordt de hoogte van de toekomstbestendige toeslagverlening bepaald;
  3. Indien er sprake is van een maatstaf voor toeslagverlening die varieert over de tijd (bijvoorbeeld looninflatie of prijsinflatie) wordt de hoogte van de toekomstbestendige toeslagverlening uitgedrukt als percentage van de maatstaf, waarna de maximaal te verlenen toeslag wordt bepaald door het berekende percentage toe te passen op de feitelijk gerealiseerde maatstaf.

De aldus bepaalde toeslag geeft aan welke toeslag het bestuur van het fonds maximaal mag verlenen. Of, en zo ja welke, toeslagen worden verleend wordt door het bestuur bepaald.

Een fonds bepaalt het voor toeslagverlening beschikbare vermogen boven de beleidsdekkingsgraad van 110%, zoals bedoeld in artikel 15, lid 3 Besluit ftk, als een bedrag in Euro’s. De hoogte van dat beschikbare vermogen in Euro’s wordt berekend door de beschikbare beleidsdekkingsgraadpunten (beleidsdekkingsgraad minus 110%, met een minimum van 0%) te vermenigvuldigen met de hoogte van de op dat moment aanwezige technische voorziening.

Vervolgens wordt de hoogte van de bestendige toeslagverlening dusdanig bepaald, dat de contante waarde van alle toeslagen gelijk is aan het beschikbare vermogen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de toeslagen jaarlijks tot aan het eind van de sterftetafel verleend worden en zijn de toeslagkasstromen contant gemaakt met maximaal het netto rendement op beursgenoteerde aandelen dat volgt uit artikel 23a, lid 1 onderdeel b, Besluit ftk.

Voor fondsen die de toeslagverlening bepalen op basis van loon- of prijsinflatie hangt de maximaal te verlenen toeslag vervolgens af van zowel de maatstaf voor toeslagverlening als de gerealiseerde maatstaf (artikel 15, lid 4 Besluit ftk). De bestendige toeslagverlening wordt eerst uitgedrukt als percentage van de maatstaf, waarbij voor loon- en prijsinflatie de minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het loon, respectievelijk prijsindexcijfer wordt gebruikt zoals vastgelegd in artikel 23a, lid 1, onderdeel a en lid 2, Besluit ftk. Het aldus berekende percentage moet vervolgens worden toegepast op de feitelijk in een jaar gerealiseerde maatstaf.

Voor de volledigheid: als uit de bepaling van de hoogte van de bestendige toeslagverlening een toeslag volgt die hoger is dan de vooraf bepaalde maatstaf, dan geldt de maatstaf als maximum. Toeslagverlening boven de maatstaf is, op grond van artikel 137, tweede lid, onderdeel c, Pensioenwet alleen toegestaan onder aanvullende voorwaarden. Bovendien is de in deze Q&A toegelichte berekeningsmethode niet van toepassing op deze incidentele toeslagverlening.

sector

  • Pensioenfondsen