Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

24 mei 2016 Toezicht

Toezicht

Vraag:

Welke kosten nemen verzekeraars mee in hun technische voorzieningen?

Antwoord:

Verzekeraars houden bij de berekening van de beste schattingen rekening met alle kosten die verband houden met de opgenomen verzekeringen1 (artikel 78, eerste lid, richtlijn Solvabiliteit II). Artikel 31 (kosten) van de Verordening Solvabiliteit II geeft vervolgens specifiek aan welke kosten daarbij worden bedoeld en geeft enkele uitgangspunten voor de kostenprognose. Hieronder gaat DNB in op enkele concrete vragen die spelen rond de kosten in de beste schatting. DNB is op de hoogte van de Good Practice die het Verbond van Verzekeraars over dit onderwerp heeft uitgebracht.

Kan een verzekeraar bij de kostenprognose zonder meer uitgaan van een projectie op basis van vast bedrag per polis?

Nee, een verzekeraar mag hier niet zonder meer van uitgaan. Het startpunt voor de berekening van de kosten in de beste schattingen is een projectie van de huidige totale kosten, rekening houdend met een realistische inflatieverwachting, tenzij een verzekeraar adequaat toelicht en onderbouwt hoe deze totale kosten in de toekomst afnemen.

De veronderstelling van een vast kostenbedrag per polis impliceert dat toekomstige kosten volledig schaalbaar zijn met het aantal polissen en dus in dezelfde mate en hetzelfde tempo dalen als het aantal polissen. De veronderstelling gaat er in veel gevallen vanuit dat de verzekeraar toekomstige beheeractiviteiten verricht (waaronder kostenreductieplannen) om ervoor te zorgen dat de kosten met het aantal polissen dalen.

Een verzekeraar kan bij de berekening van de kosten alleen uitgaan van deze veronderstelling (vaste kosten per polis) indien en voor zover hij aantoont dat zowel deze veronderstelling als de samenhangende toekomstige beheeractiviteiten realistisch zijn en deze voldoen aan alle vereisten van artikel 22 (aannamen) en 23 (toekomstige beheeractiviteiten) van de Verordening Solvabiliteit II.

In hoeverre kan een verzekeraar bij de kostenprognose rekening houden met de effecten van toekomstige kostenreductieplannen?

Een verzekeraar kan rekening houden met de effecten van toekomstige kostenreductieplannen in de korte of middellange termijn voor zover deze plannen voldoen aan de vereisten van toekomstige beheeractiviteiten overeenkomstig artikel 23 van de Verordening Solvabiliteit II. Wat betreft de kostenreductieplannen omvat dit onder meer een vergelijking van toekomstige kostenreductieplannen met de kostenreductieplannen die de verzekeraar in het verleden heeft verricht (back testing van kostenreductieplannen) en een alomvattend plan met betrekking tot toekomstige kostenreductieplannen dat door het bestuurlijk, beleidsbepalend, of toezichthouder orgaan van de verzekeraar wordt goedgekeurd.

Wat betekent de veronderstelling bij de berekening van de kosten in de beste schatting dat een verzekeraar in de toekomst nieuwe verzekeringen zal sluiten?

In de kasstroomprognose houdt een verzekeraar rekening met alle kosten die verband houden met opgenomen verzekeringen. Artikel 31, vierde lid, stelt dat een verzekeraar bij de kostenprognose uitgaat van de veronderstelling dat hij in de toekomst nieuwe verzekeringen zal sluiten. Hij moet daarbij uitgaan van een onderbouwde realistische veronderstelling ten aanzien van de aard en omvang van de verzekeringen die hij in de toekomst verwacht te sluiten, waarbij hij naast onderneming specifieke informatie ook de verwachte ontwikkelingen in de markt en zijn verwachte marktaandeel betrekt. Als een verzekeraar heeft besloten in de toekomst geen nieuwe verzekeringen meer te sluiten of hij verwacht geen, minder of andersoortige nieuwe verzekeringen te sluiten, dan veronderstelt hij dit overeenkomstig in de berekening van de kosten in de beste schatting.

Moet een verzekeraar bij de vaststelling van de kosten in de beste schatting ervan uitgaan dat hij te allen tijde zelf alle verzekeringsverplichtingen afwikkelt, en dus blijft bestaan tot de laatste polishouder overleden is?

Nee, een verzekeraar mag indien gewenst bij de berekening van de kosten in de beste schatting uitgaan van een toekomstig moment van overdracht van een verzekeringsportefeuille mits het voldoende concreet kan aantonen dat een overdracht op dat toekomstig moment tegen de (in de berekening) voorgestelde voorwaarden ook voldoende realistisch is.

Een verzekeraar kan voornemens zijn om over te gaan tot overdracht indien bepaalde toekomstige gebeurtenissen en ontwikkelingen zich voordoen, zoals het bereiken van een bepaalde minimale portefeuilleomvang waarbij zelfstandig voortbestaan niet mee realistisch is. Als een verzekeraar een toekomstige overdracht wil betrekken in de berekening van de kosten in de beste schatting dan dient het voornemen, zijnde een toekomstige beheeractiviteit, te voldoen aan de vereisten van artikel 23 van de Verordening Solvabiliteit II. Bij de berekening van de beste schatting analyseert de verzekeraar dan de mate waarin de contante waarde van de kasstromen afhankelijk is van zowel de verwachte afloop van deze overdracht als van de mate waarin de werkelijke afloop in bepaalde scenario’s eventueel van de verwachte afloop afwijkt. Wanneer de contante waarde materieel afhankelijk is van deze toekomstige gebeurtenissen en ontwikkelingen, dan maakt de verzekeraar gebruik van een berekeningsmethode welke dergelijke afhankelijkheden weerspiegelt. Als de mate van afhankelijkheid beperkt is dan hoeft dit niet noodzakelijk tot een andere berekeningsmethode te leiden.

Welke kosten van verbonden ondernemingen binnen de groep moeten worden meegenomen bij de berekening van de van de beste schatting?

In de berekening van de beste schatting houdt een verzekeraar rekening met alle kosten die met de opgenomen verzekeringen verband houden, inclusief de hiermee verband houdende algemene kosten. Deze kosten kunnen worden gemaakt door de verzekeraar zelf, maar ook door verbonden ondernemingen of op groepsniveau. Kosten die worden gemaakt op groepsniveau neemt de verzekeraar mee voor zover deze samenhangen met de reguliere bedrijfsvoering, tenzij hij kan aantonen dat deze specifieke kosten geen verband houden met de opgenomen verzekeringen (bijvoorbeeld voor het opstellen van groepsrapportages of financieringslasten van de holding). Het kan wel zo zijn dat bepaalde lasten aanleiding geven tot een verplichting die moet worden gewaardeerd.

Dienen eenmalige, project- en andere niet-structurele kosten meegenomen te worden in de beste schatting?

Ja, voor zover de werkzaamheden verband houden met opgenomen verzekeringen en voortvloeien uit een reguliere bedrijfsvoering. Het is de verwachting dat soortgelijke kosten in de toekomst nodig zijn en worden gemaakt, bijvoorbeeld kosten voor het onderhoud en vernieuwing van systemen, reorganisatiekosten en kosten die voortvloeien uit implementatie van nieuwe regelgeving. Indien dat het geval is dan dienen deze kosten te worden meegenomen in de beste schatting. Voor de hoogte van deze kosten vormen de huidige kosten het startpunt, tenzij de verzekeraar adequaat toelicht hoe de hoogte van niet-structurele kosten en het verloop ervan in de toekomst anders zijn. De consistentie met andere toekomstige beheeractiviteiten is hier tevens van belang, zoals projecten die nodig zijn om de kostenbasis te verlagen en de schaalbaarheid te verhogen.

Welke richtsnoeren kunnen verzekeraars hanteren bij de toerekening van algemene kosten aan de delen van de beste schatting?

Richtsnoeren 29 tot en met 34 van de Richtsnoeren voor de waardering van de technische voorzieningen (EIOPA-BoS-14/166 NL) gaan specifiek in op de berekening van de kosten in de beste schatting. DNB past onder meer deze richtsnoeren toe in haar toezicht. In deze richtsnoeren staat onder meer dat:

  • verzekeraars de kosten moeten toerekenen aan homogene risicogroepen, ten minste volgens branche, overeenkomstig de onderverdeling van hun verplichtingen bij de berekening van de technische voorzieningen; en
  • verzekeraars de kosten (inclusief algemene kosten) op realistische en objectieve wijze moeten toerekenen en deze toerekening baseren op recente analyses van de bedrijfsactiviteiten, op de vaststelling van passende kostenbepalende factoren en op relevante ratio's voor de kostenverdeling (kostenverdeelsleutels en sleutelwaardes). Verzekeraars passen de toerekening consistent in de tijd toe en wijzigen de toerekening alleen als deze de kenmerken van de portefeuille beter weerspiegelen.

Wat verwacht DNB met betrekking tot onderbouwing van en rapportage over de kostenveronderstellingen?

DNB verwacht dat verzekeraars beschikken over een gedegen model voor kostentoerekening dat kosten (inclusief algemene kosten) op adequate wijze toerekent aan de delen van de beste schatting waarmee ze verband houden. DNB let erop dat:

  • de verdeling voldoende granulair is (delen waarvan ex-ante verwacht mag worden of ex-post blijkt dat deze significant andere kosten of kosten drivers kennen worden apart geanalyseerd, zoals per type dekking, type business, looptijd, status actief, premievrij of in uitbetaling etc.);
  • voor de toerekening van kosten de verzekeraar beschikt over een gedegen en goed gedocumenteerd model;
  • de brondata actueel en voor het doel geschikt zijn;
  • de gekozen verdeelsleutels per kostenplaats (bijvoorbeeld FTE, aantal polissen, aantal UPO’s, aantal contacten met het servicecentrum etc.) in een centraal overzicht vastliggen alsmede de waarde die aan deze sleutels is toegekend;
  • voor de gebruikte gegevens, onderbouwing van veronderstellingen en onderbouwing van expert opinies de hierop betrekking hebbende Richtsnoeren gelden.

1Kosten worden algemeen onderscheiden naar kosten die verband houden met opgenomen verzekeringen (informeel ook genoemd: doorlopende kosten) en kosten die verband houden met het sluiten van (nieuwe) verzekeringen (informeel ook genoemd eerste kosten). Deze laatste kosten maken, voor zover ze reeds zijn betaald, doorgaans geen onderdeel uit van de beste schatting van de toekomstige kosten.