Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

03 februari 2017 Toezicht

Toezicht

Vraag:

Deze Q&A geeft nadere guidance over de elementen die DNB betrekt bij de beoordeling van de onderbouwing van de correctie voor het verliescompensatievermogen van uitgestelde belastingen (Loss Absorbing Capacity of Deferred Taxes, LAC DT). LAC DT is ook onderdeel van de Europese evaluatie van de kapitaaleisen in Solvency II per 2018; mogelijk dat uitkomsten van deze evaluatie of andere nieuwe inzichten tot een aanpassing van deze Q&A leiden. DNB verwacht dat verzekeraars deze guidance zo snel mogelijk opnemen in de onderbouwing van hun LAC DT, maar in ieder geval niet later dan in de cijfers over 2017Q2.

Antwoord:

Met ingang van 1 januari 2020 is de nieuwe regelgeving voor LAC DT van toepassing. Deze Q&A is onverminderd van toepassing voor LAC DT berekeningen voor rapportages met referentiedata tot en met 31 december 2019; voor referentiedata vanaf 1 januari 2020 bevat deze Q&A relevante informatie, maar volgt u als verzekeraar de nieuwe regelgeving daar waar de Q&A niet langer in lijn is met de nieuwe regelgeving. Gedurende 2020 zal DNB deze en andere Q&A’s met betrekking tot LAC DT herzien en in lijn brengen met de nieuwe regelgeving.

Definities

Hieronder worden de belangrijkste begrippen in deze Q&A nader toegelicht:

  • Solvency II startbalans: De balans opgesteld aan de hand van Solvency II waarderingsprincipes voor schok.
  • bSCR*: de schok die wordt toegepast op de Solvency II startbalans voor de berekening van LAC DT bestaat uit het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste plus het kapitaalvereiste voor operationeel risico plus de correctie voor het verliescompensatievermogen van technische voorzieningen (artikel 207(1) van de Gedelegeerde Verordeningen).
  • Belastinglatenties: De waarderingsgrondslagen voor activa en passiva verschillen tussen de Solvency II balans en de fiscale balans. Hierdoor ontstaan tijdelijke waarderingsverschillen, die in de tijd uitlopen en resulteren in fiscale winsten en verliezen en resp. belastingverplichtingen of vorderingen (deferred tax liabilities, DTLs of deferred tax assets, DTAs). Daarnaast kunnen latente belastingvorderingen (DTA) bestaan vanwege nog met toekomstige fiscale winsten te verrekenen historische fiscale verliezen.
  • Netto DTA: De netto DTA is gelijk aan het verschil tussen de DTA en de DTL op de balans. De verzekeraar onderbouwt deze netto DTA op de balans met belaste winst van het voorafgaande jaar of toekomstige fiscale winsten.
  • LAC DT: LAC DT is gelijk aan de verandering in de netto belastingpositie als gevolg van het bSCR* schokverlies en is het verschil tussen de netto DTA op de Solvency II startbalans en de netto DTA op de balans na schok.
  • LAC DT na schok: De verzekeraar kan de netto DTA na schok alleen onderbouwen met toekomstige winsten als hij binnen de huidige geldende hersteltermijn voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. Daarom bepaalt de verzekeraar na schok opnieuw zijn financiële positie. Om tot de financiële positie te komen na de bSCR* schok, zal de verzekeraar ook een SCR na schok moeten bepalen. Onderdeel van deze SCR is ook weer een LAC DT.

Documentatie

De verzekeraar documenteert alle aannames, methodes en berekeningen die ten grondslag liggen aan de onderbouwing van de LAC DT zodanig dat de onderbouwing en gehanteerde berekeningen stap voor stap gevolgd kunnen worden.

Onderbouwing timing bestaande latenties

Voor de onderbouwing van de LAC DT is het van belang dat ook de onderbouwing van de netto DTA voor schok wordt betrokken. De verzekeraar specificeert daarbij het uitlooppatroon van de bestaande belastinglatenties, inclusief een duidelijke beschrijving van de aannames die de verzekeraar hierbij maakt. De termijnen waarover latenties uitlopen staan daarbij los van de keuze voor de horizon waarover de verzekeraar winsten ter onderbouwing van de LAC DT projecteert.

Financiële positie na schok

Bij de bepaling van de financiële positie na schok houdt de verzekeraar rekening met het volgende:

  • LAC DT na schok: De LAC DT na schok is nihil, ténzij deze onderbouwd kan worden. Als de verzekeraar de LAC DT in de SCR voor schok onderbouwt met toekomstige winsten, dan is LAC DT in de SCR na schok lager dan de LAC DT voor schok; de financiële positie na die schok is immers nog lager en daardoor zijn winsten voor de onderbouwing van LAC DT lastiger te realiseren.
  • Risicomarge: Na toepassing van de schok berekent de verzekeraar de risicomarge niet opnieuw.
  • Toepassing LTG maatregelen: Na schok herberekent de verzekeraar eventueel toegepaste LTG maatregelen niet opnieuw om de technische voorzieningen en het eigen vermogen na schok te bepalen.
  • Solvency II UFR extrapolatie: Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen na schok extrapoleert de verzekeraar de rentetermijnstructuur na schok niet opnieuw.

Herstel van de schok

Indien de verzekeraar de netto DTA onderbouwt met toekomstige winsten en hij voldoet na het toepassen van de bSCR* schok niet meer aan zijn kapitaalvereiste, dan zal de verzekeraar maatregelen nemen om weer te voldoen aan zijn kapitaalvereiste. De verzekeraar anticipeert daarbij niet op eventuele verlengingen van hersteltermijnen. Er zijn verschillende maatregelen denkbaar om na schok weer aan de kapitaaleis te voldoen, waaronder het terugbrengen van risicoposities om de kapitaaleis te verlagen of herkapitalisatie om het eigen vermogen te vergroten.

Herkapitalisatie

Indien de verzekeraar in de onderbouwing van LAC DT gebruik maakt van het aantrekken van additioneel vreemd of eigen vermogen als maatregel om na het schokverlies aan het kapitaalvereiste te voldoen, dan houdt de verzekeraar er rekening mee dat de waarschijnlijkheid van herkapitalisatie afneemt naarmate de solvabiliteitspositie lager is.

Bij het aantrekken van nieuw kapitaal doorloopt een verzekeraar diverse stappen. Factoren die het uiteindelijke succes (in termen van geplaatst volume) van een emissie bepalen zijn onder andere het bestaan en de grootte van een beleggerspubliek en rating van de emittent (voor vreemd vermogen). Een verzekeraar betrekt deze elementen in de onderbouwing van herkapitalisatie voor LAC DT.

Bij herkapitalisatie van een of meerdere entiteiten binnen een groep in de onderbouwing van LAC DT toont een verzekeraar aan dat:

  • Alle entiteiten binnen de groep voldoen binnen de huidige geldende hersteltermijn en na eventuele herkapitalisatie aan hun solvabiliteitsvereisten.
  • Voor het vaststellen van de kapitaalbehoefte van de specifieke entiteit waar LAC DT voor wordt onderbouwd past de verzekeraar de bSCR* schok van deze specifeke entiteit toe. Om te bepalen of binnen de groep voldoende kapitaal aanwezig is om de specifieke entiteit te herkapitaliseren kijkt de verzekeraar naar de kapitaalposities van de andere entiteiten binnen de groep. De verzekeraar gaat er van uit dat al die andere entiteiten op dat moment hun relevante schok ondergaan. De relevante schok voor de andere entiteiten binnen de groep is zodanig dat de som van de schokken van de andere entiteiten binnen de groep plus de bSCR* schok van specifieke entiteit waar LAC DT voor wordt onderbouwd gelijk is aan de bSCR* van de groep. De diversificatie die hierbij mogelijk optreedt rekent de verzekeraar toe aan de entiteiten binnen de groep, met uitzondering van de specifieke entiteit waar de verzekeraar de LAC DT voor onderbouwt. Voor die specifieke entiteit is het schokverlies gelijk aan de bSCR*. Aan het einde van deze Q&A staat een voorbeeld met een mogelijke uitwerking.
  • De verplaatsing van het kapitaal is binnen de huidige geldende hersteltermijn te realiseren.

Als een verzekeraar gebruik maakt van bestaande kasreserves of Committed Credit Lines (CCLs) dan maakt de verzekeraar voldoende aannemelijk dat de kasreserves of CCLs ook beschikbaar zijn, in het bijzonder als er sprake is van zogenaamde Material Adverse Change (MAC) clausules in het geval van CCLs.

Onderbouwing van toekomstige winsten

Bij de onderbouwing van toekomstige winsten neemt de verzekeraar als uitgangspunt de balans na schok inclusief het effect van de eventuele afbouw van risico’s en herkapitalisatie om na schok - binnen de huidige geldende hersteltermijnen - weer aan de kapitaalvereisten te voldoen. Bij de projectie van rendementen op beleggingen start de verzekeraar met het jaarlijkse risicovrije rendement zoals gegeven door de forward rentes uit de termijnstructuur voor de risicovrije marktrentes. Eventuele overrendementen ten opzichte van dit risicovrije rendement specificeert de verzekeraar naar individuele beleggingscategorieën. Het vertrekpunt voor deze te verwachten overrendementen na schok is dat deze gelijk zijn aan de verwachtingen in de situatie voor schok. Voor de verliezen naar aanleiding van de spreadschok neemt de verzekeraar als vertrekpunt dat deze zich fiscaal manifesteren.

In de projecties van toekomstige winsten van de bestaande portefeuille neemt de verzekeraar ook de impact van de Solvency II UFR extrapolatiemethode op de jaarlijkse winsten en verliezen mee. Hierbij sluit de verzekeraar aan bij het verval van de impact van de extrapolatiemethode zoals de verzekeraar die rapporteert in de nationale jaarstaat alternatieve extrapolatie. De verzekeraar houdt er rekening mee dat het verval van deze impact van de extrapolatiemethode, ook na schok, in de beginjaren het grootst is. Analoog hieraan neemt de verzekeraar ook de impact van eventueel toegepaste LTG maatregelen op toekomstige winsten mee.

Indien de verzekeraar kan onderbouwen dat de verzekeraar ook na schok nieuwe productie schrijft, waaronder renewals, hanteert de verzekeraar als vertrekpunt een lagere nieuwe productie dan in de jaren voor schok daadwerkelijk is gerealiseerd. De impact van de schok op de financiële positie van de verzekeraar na schok zal immers nadelig zijn voor het schrijven van winstgevende nieuwe productie. De verzekeraar neemt in de documentatie een vergelijking op van de veronderstelde winstgevendheid van de nieuwe productie ten opzichte van de gerealiseerde winstgevendheid van de nieuwe productie uit het verleden en de trend daarin.

Als een verzekeraar gebruik maakt van toekomstige winsten om LAC DT te onderbouwen, houdt de verzekeraar rekening met dividenduitkeringen volgens zijn kapitaal- en dividendbeleid.

Onzekerheid in toekomstige winsten

In de onderbouwing van LAC DT betrekt de verzekeraar dat de geprojecteerde verwachte baten en lasten met onzekerheid zijn omgeven. Belangrijk daarbij is dat de verzekeraar rekening houdt met het asymmetrische karakter van de LAC DT: hogere overrendementen leiden bijvoorbeeld niet per se tot een veel hogere LAC DT, terwijl lagere overrendementen mogelijk wel tot een sterk lagere LAC DT leiden. Deze onzekerheid verwerkt de verzekeraar in de hoogte van de eventuele netto DTA na schok (overigens ook in de netto DTA voor schok). Een van de mogelijkheden hiertoe is het middelen over verschillende uitkomsten als de verzekeraar veronderstellingen in de onderbouwing van LAC DT naar boven of naar beneden bijstelt; bijvoorbeeld door (1) verwachte overrendementen een keer te verdubbelen en meer nieuwe productie te veronderstellen en (2) verwachte overrendementen en nieuwe productie een keer op nul te stellen.

Timing van fiscaal manifesteren van bSCR* schok

Het verlies naar aanleiding van de bSCR* schok materialiseert zich direct op de Solvency II balans, in tegenstelling tot op de fiscale balans. Een verzekeraar houdt daarom voor elk afzonderlijk onderdeel van het schokverlies rekening met in welke mate en wanneer het verlies zich fiscaal manifesteert bij het onderbouwen van de netto DTA met toekomstige winsten. Hierbij is zowel het patroon als omvang over de projectiehorizon van belang. Schokverliezen op activa waarvan het rendement fiscaal is vrijgesteld, zoals bepaalde aandelenbelangen die van de vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling, kan de verzekeraar niet met de fiscus verrekenen en leiden om die reden direct tot een verlaging van de maximaal te realiseren LAC DT.

Voorbeelduitwerking diversificatie in onderbouwing herkapitalisatie binnen LAC DT

Veronderstel een groep van verzekeraars met twee entiteiten A en B:

 

Entiteit A

Entiteit B

Groep

Eigen vermogen

325

175

500

bSCR*

200

100

250

Onderbouwing LAC DT entiteit A

Entiteit A heeft na zijn bSCR* schok van 200 een eigen vermogen van 125 bij een veronderstelde kapitaaleis van 200 na schok en zal via risicoreducerende maatregelen of herkapitalisatie moeten pogen om binnen de geldende hersteltermijnen weer aan de kapitaaleisen te voldoen. Een mogelijkheid voor herkapitalisatie is eigen vermogen te onttrekken aan entiteit B om zo het eigen vermogen van entiteit A aan te vullen. Voor het aanwezige eigen vermogen bij entiteit B past de verzekeraar eerst de relevante schok voor entiteit B toe op de balans van B. De schok die de verzekeraar toepast op entiteit B is zodanig dat de som van alle schokken toegepast op de entiteiten gelijk is aan de bSCR* van de groep; de bSCR* van de groep is 250, de schok toegepast op entiteit A is 200 en dit impliceert dat de verzekeraar op entiteit B een schok van 50 toepast om het eigen vermogen na schok vast te stellen. Het is niet noodzakelijk om deze schok uit te splitsen naar risicodrijvers en uit te werken in een volledige balans na schok voor entiteit B; het gaat enkel om het vaststellen van het aanwezige eigen vermogen bij entiteit dat na schok beschikbaar is voor eventuele herkapitalisatie van entiteit A. Na schok heeft entiteit B dan nog 125 eigen vermogen op een veronderstelde kapitaaleis van 100 na schok. Afhankelijk van het beleid binnen de groep over minimale kapitalisatie van entiteiten kan er dan ruimte zijn om maximaal 25 aan eigen vermogen van entiteit B te verplaatsen om entiteit A te herkapitaliseren. Entiteit A zou hiermee uitkomen op een eigen vermogen van 150 bij een veronderstelde kapitaaleis van 200 en het restant van het kapitaaltekort via andere herkapitalisatie- of risicoreducerende maatregelen op kunnen lossen.

Onderbouwing LAC DT entiteit B

Binnen dezelfde groep heeft entiteit B na zijn bSCR* schok van 100 een eigen vermogen van 75; dat is onvoldoende om de na schok veronderstelde kapitaaleis van 100 te voldoen. Om te bezien of er bij entiteit A ruimte is om entiteit B (deels) te herkapitaliseren past de verzekeraar de relevante schok toe op de balans van entiteit A. In dit voorbeeld is die relevante schok 150; de bSCR* van de groep van 250 minus de op entiteit B toegepaste bSCR* schok van 100. Een verlies van 150 aan eigen vermogen bij entiteit A leidt tot een eigen vermogen na schok van 175; hiermee voldoet entiteit A na schok niet aan zijn veronderstelde kapitaaleis van 200 en daarmee is er geen ruimte bij entiteit A om entiteit B te herkapitaliseren. Voor de onderbouwing van herkapitalisatie binnen de onderbouwing van LAC DT van entiteit B past de verzekeraar dus andere risicoreducerende of herkapitalisatiemaatregelen toe om na schok entiteit B weer aan zijn kapitaaleisen te laten voldoen.