Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

09 april 2019 Toezicht Toezichtlabel Wet- en regelgeving

De Wbft 2019 is op 1 januari 2019 in werking getreden. De Wbft is primair gericht op de regels met betrekking tot de financiering van het toezicht op de financiële markten.

Let op: de tekst hieronder ziet nog op de oude Wbft zoals die tot 1 januari 2019 gold.

Het toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB). Deze wet voorziet in de financiering van de kosten van de AFM en DNB en vervangt het bekostigingssysteem dat sinds 2004 van kracht is en dat is vastgelegd in de afzonderlijke financiële toezichtwetten, waaronder de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Pensioenwet.

In de nieuwe bekostigingssystematiek wordt, anders dan tot nu toe het geval was, uitgegaan van een vaste jaarlijkse overheidsbijdrage aan de kosten van het toezicht. De hoogte van de overheidsbijdrage is teruggebracht tot het niveau zoals deze was vòòr het uitbreken van de financiële crisis. Het resterende deel van de toezichtbegroting wordt jaarlijks in rekening gebracht bij de verschillende toezichtsectoren op basis van een vaste procentuele verdeling1. Deze verdeling wordt in beginsel voor een periode van vijf jaar vastgesteld. Uiterlijk op 1 juni van ieder jaar worden de jaarlijkse tarieven voor het reguliere toezicht vastgesteld middels een gezamenlijke Ministeriële Regeling van de Ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarna deze zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.

De vier voornaamste redenen om het oude bekostigingssysteem te wijzigen en de kostenregelgeving op te nemen in één wet:

  1. het creëren van duidelijkheid over de verdeling van de kosten van de AFM en DNB tussen enerzijds overheid en anderzijds marktpartijen en instellingen die deel uitmaken van de financiële sector
  2. het beperken van de fluctuaties in de jaarlijks op te leggen heffingen
  3. het vereenvoudigen en stroomlijnen van de wet- en regelgeving die betrekking heeft op het financieel beheer bij de toezichthouders
  4. bezuinigen op de overheidsuitgaven

Door de verlaging van de overheidsbijdrage èn door de stijging van de toezichtbegroting komt een groter deel van de uitvoeringskosten van het toezicht voor rekening van de onder toezicht staande sectoren. Het is dan ook onontkoombaar dat de tarieven 2013 voor de meeste sectoren fors zullen stijgen ten opzichte van de tarieven in voorgaande heffingsjaren.

Hieronder is in tabelvorm een vergelijk opgenomen met de situatie vòòr 2013.

Heffingsmaatstaf en tarieven 2013

Afhankelijk van de sector wordt een omvangscriterium of een prudentiële vermogensnorm gebruikt voor de verdeling van de toezichtkosten binnen een onder toezicht staande sector. Deze verdeelsleutel wordt heffingsmaatstaf genoemd. De heffing voor het doorlopend toezicht bestaat voor de meeste sectoren uit een vast bedrag en een variabel deel.

Gelijktijdig met de invoering van de Wbft is voor alle sectoren nagegaan:

  1. is herziening van de bestaande heffingsmaatstaf noodzakelijk,
  2. dient het minimumtarief en de tariefstructuur te worden aangepast.

Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen

De uitkomst van de beoordeling van de heffingsmaatstaf voor pensioenfondsen en premiepensioen-instellingen is dat het voor deze sector wenselijk is om de heffingsmaatstaf te herzien omdat de bestaande maatstaf als omvangscriterium niet meer voldeed. Deze oude maatstaf bestond uit de som van de premiebaten en de directe beleggingsopbrengsten. Vanwege het buiten beschouwing laten van een substantiëel deel van de inkomsten (te weten de indirecte beleggingsopbrengsten) was deze maatstaf niet (meer) geschikt om te hanteren als omvangscriterium. Als nieuwe maatstaf voor pensioenfondsen is gekozen voor de prudentiële normstelling: de som van de technische voorzieningen + het vereist eigen vermogen.

Het bedrag van deze normstelling wordt gecorrigeerd met een bonus/malus factor; hierdoor wordt bij de hoogte van de op te leggen toezichtheffing rekening gehouden met de mate waarin een pensioenfonds voldoet aan de prudentiële normstelling. De variabele toezichtheffing zal aan de hand van deze heffingsmaatstaf worden berekend op basis van een degressief tariefstelsel in 4 tariefschijven.

Er geldt met ingang van 2013 niet langer een maximumbedrag voor de in aanmerking te nemen heffingsmaatstaf.

Het minimumtarief voor pensioenfondsen van € 681 is al vele jaren ongewijzigd (vroeger Hfl 1.500). Dit bedrag is al geruime tijd niet meer representatief voor de kosten die gemoeid zijn met de minimumomvang van het toezicht op een pensioenfonds. Daarom is het minimumtarief 2013 meer in overeenstemming gebracht met de kosten die gemoeid zijn met deze minimumomvang van het toezicht op een pensioenfonds. De uitkomst hiervan is dat het minimumtarief in 2013 zal worden verhoogd naar € 2.000. Door verhoging van dit minimumtarief was het mogelijk de noodzakelijke toename van de variabele tarieven 2013 iets te dempen.

Verzekeraars

Ook bij verzekeraars is het al jaren gehanteerde minimumtarief van € 681 (vroeger Hfl 1.500) niet meer in lijn met de kosten die gemoeid zijn met de minimumomvang van het toezicht op een verzekeraar. Conform de werkwijze bij pensioenfondsen is het minimumtarief 2013 verhoogd naar € 2.000. Door verhoging van het minimumtarief was het mogelijk de noodzakelijke toename van de variabele tarieven 2013 te dempen.

Banken

De wijzigingen in de tariefstructuur voor banken zijn beperkt gebleven tot aanpassing van het vaste tarief naar € 35.000 (was € 31.500). Het variabele deel van de heffing wordt berekend op basis van de gerapporteerde minimum omvang van het toetsingsvermogen (=prudentiële normstelling). Het variabele heffingsbedrag zal aan de hand van deze heffingsmaatstaf worden berekend op basis van een degressief tariefstelsel in 4 tariefschijven.

Trustkantoren

Omdat het prudentiële- en integriteittoezicht door DNB op deze sector tot vorig jaar grotendeels (80%) werd bekostigd uit de overheidsbijdrage heeft het gedeeltelijke wegvallen van deze overheidsbijdrage een forse impact op de hoogte van de in rekening te brengen toezichttarieven bij de trustkantoren.
De heffingsmaatstaf is ongewijzigd: de omzet uit Trust-activiteiten in het voorafgaande jaar.

Betaalinstellingen en wisselkantoren

Voor de betaalinstellingen zijn voor het heffingsjaar 2013 geen bijzonderheden te melden. Omdat de tarieven 2012 verhoogd waren door een aanzienlijk te verrekenen exploitatietekort over het kalenderjaar 2011 zijn de tarieven 2013 ongewijzigd vastgesteld ten opzichte van de tarieven 2012. Voor de betaalinstellingen blijft de heffingsmaatstaf ongewijzigd: de omzet over het voorgaande jaar.

Ook voor de wisselinstellingen is het tarief ongewijzigd t.o.v. 2012 vastgesteld.

Beleggingsinstellingen

Ondanks een vrijwel ongewijzigde sectorale bijdrage in de toezichtbegroting 2013 voor de beleggingsinstellingen is het noodzakelijk om het tarief iets te verhogen t.o.v. de tarieven 2012 omdat het in rekening te brengen tarief 2012 werd gedempt door een te verrekenen exploitatieoverschot over het jaar 2011.
Bij de beleggingsinstellingen is de tariefstructuur aangepast en geharmoniseerd met de AFM; met ingang van 2013 is de tariefstructuur gewijzigd in een degressief tariefstelsel met 4 tariefschijven zonder maximum. Dit betekent voor de grotere beleggingsinstellingen dat de heffing 2013 hoger zal uitkomen dan in 2012.

Beleggingsondernemingen

Ook bij de beleggingsondernemingen is het onvermijdelijk dat de tarieven toenemen. Om zoveel mogelijk recht te doen aan het profijtbeginsel en het draagkrachtbeginsel is er voor gekozen om vooral het vaste tarief en de tarieven voor de deelvergunningen te laten stijgen t.o.v. de tarieven 2012. Het variabele tarief per effectenrekening is daarentegen lager vastgesteld dan in 2012, waarbij de berekening bovendien plaatsvindt op basis van een degressief tariefstelsel in 4 tariefschijven. Er geldt met ingang van 2013 niet langer een maximumbedrag voor de in aanmerking te nemen heffingsgrondslag.

Afrekening toezichtheffing 2012

Uitwerking

Zoals in artikel 30 van de Wbft is aangegeven dient de verrekening van de exploitatiesaldi uit 2012 afgewikkeld te worden conform het voormalige bekostigingssysteem. In de tabel hieronder is per sector(toezichtcategorie) aangegeven welke bedragen zijn te verrekenen.

NB: Beleggingsinstellingen: het exploitatiesaldo 2012 komt voort uit de kosten die DNB heeft gemaakt ter voorbereiding van de implementatie van de Richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (AIFM-richtlijn) en wordt verrekend na het jaar 2013.

  • De exploitatiesaldi uit 2012 worden per sector uitgedrukt in een percentage van de (voor die toezichtcategorie) opgelegde toezichtheffing 2012. De percentages worden afgerond op 1 decimaal; het af te rekenen % is hieronder weergegeven:
  • Het te verrekenen bedrag wordt per instelling vastgesteld op basis van het hier vermelde % en de opgelegde toezichtheffing 2012; het op deze wijze berekende bedrag wordt zichtbaar gemaakt door middel van een aparte regel op de toezichtkosten-aanslag voor Regulier toezicht 2013.

NB: een negatief % betekent dat sprake is van een restitutie.

NB2: het te verrekenen % is gebaseerd op de te verrekenen bedragen per sector (totaal -€ 7,11 mln), maar het % is daar niet exact uit af te leiden omdat:

  1. het genoemde voorschotbedrag in de bedragentabel is inclusief opbrengsten u.h.v. leges
  2. het genoemde voorschotbedrag in de bedragentabel bevat tevens opbrengsten van partijen die nu niet meer onder toezicht staan (en dus ook niet hoeven af te rekenen)

[1] Na aftrek van de overheidsbijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden èn de begrote opbrengsten voor eenmalige toezichthandelingen (leges).

Relevant voor:

  • Aanbieders cryptodiensten
  • Afwikkelondernemingen
  • Banken
  • Beleggingsinstellingen
  • Beleggingsondernemingen
  • Betaalinstellingen
  • Clearinginstellingen
  • Elektronischgeldinstellingen
  • Pensioenfondsen
  • Premiepensioeninstellingen
  • Trustkantoren
  • Verzekeraars
  • Wisselinstellingen