Sinds de oorlog in Iran zijn de energieprijzen fors gestegen. Dat roept de vraag op in hoeverre dit uiteindelijk ook leidt tot hogere inflatie. Om dat te begrijpen kunnen we kijken naar de energiecrisis van 2022, toen energieprijzen en vooral gasprijzen een stuk harder stegen dan nu.
Wanneer energieprijzen stijgen, nemen de kosten voor veel bedrijven direct toe. Denk aan hogere kosten voor transport en productie. Bedrijven reageren vaak relatief snel door hun verkoopprijzen te verhogen. Dit betekent overigens niet per se dat bedrijfswinsten ook meteen toenemen – dat hangt af van de mate waarin bedrijven hun kosten kunnen doorberekenen aan hun afnemers.
Lonen stijgen doorgaans minder snel. Veel werknemers vallen onder een cao, en loonafspraken worden één keer per jaar of zelfs minder vaak aangepast. Daardoor stijgen verkoopprijzen in eerste instantie sneller dan lonen.
Hogere lonen volgen later
De figuur hieronder laat zien hoe de loonkosten van bedrijven, de brutowinst van bedrijven en het saldo van belastingen en subsidies bijdragen aan de veranderingen in de zogeheten ‘bbp-deflator’. Dit is een maatstaf voor de prijsontwikkeling van alles wat in Nederland wordt geproduceerd. Die jaarlijkse verandering van de ‘deflator’ geeft een beeld van de inflatie die binnenlands wordt gecreëerd.
Tijdens de inflatiegolf van 2022 was goed zichtbaar dat prijzen sneller reageerden dan lonen. In de eerste fase was de bijdrage van brutowinsten aan de binnenlandse prijsontwikkeling sterker dan die van lonen. Terwijl de energiekosten direct opliepen en bedrijven hun prijzen verhoogden, duurde het enige tijd voordat werknemers via cao-onderhandelingen hogere lonen konden afdwingen.