Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Ons laatste nieuws direct in uw mail ontvangen? 
Dat kan met de DNB Nieuwsservice.

Meld u aan
28 juli 2022 Algemeen
Steekkar

De huidige hoge inflatie in Nederland doet zich voor in een andere economische omgeving dan in de jaren zeventig. Destijds waren de arbeidsmarkt, de financiële positie van bedrijven en het monetaire beleid een voedingsbodem voor stagflatie.

Nu ook een negatieve aanbodschok

Net als nu, had de economie in de jaren zeventig te kampen met sterk oplopende olie- en voedselprijzen. Dat leidde tot hoge inflatie en na verloop van tijd ook tot een economische krimp, in het begin van de jaren tachtig. Die combinatie wordt aangeduid met stagflatie (zie figuur). Stagflatie kan in het algemeen worden veroorzaakt door een onverwachte daling van de beschikbaarheid van productiemiddelen, zoals bouwmaterialen of energie. Hierdoor daalt het aanbod van goederen en diensten, wat bij een gelijkblijvende vraag tot algemene prijsstijgingen leidt.

Ook nu kampt de economie met hoge inflatie na een negatieve aanbodschok. Door verstoringen in aanvoerketens en de gevolgen van de Russische inval in Oekraïne zijn grondstoffen en halffabricaten schaarser en duurder geworden. Dat belemmert de productiemogelijkheden van bedrijven en brengt net als in de jaren zeventig/tachtig neerwaartse risico’s met zich mee voor de economische groei. Naar verwachting leidt de tegenwoordige situatie echter niet opnieuw tot een vergelijkbare stagflatieperiode (zie de ramingen voor 2023 en 2024 in de figuur). Al zijn er zeker scenario’s denkbaar dat de groei in 2023 en onderliggend in 2022 negatief is (EOV juni 2022), dan nog zal de combinatie van negatieve groei en hoge inflatie niet vergelijkbaar zijn met de jaren zeventig/tachtig.

Verschillen met stagflatieperiode

Destijds stegen de lonen automatisch mee met de inflatie. Die automatische prijscompensatie – in Nederland tot 1982 van kracht - stimuleerde een loon-prijsspiraal. De loonsom per werknemer steeg aanzienlijk meer dan de arbeidsproductiviteit. Dat holde de concurrentiepositie en winsten van bedrijven uit. Als gevolg hiervan daalden de bedrijfsinvesteringen. In de diepe recessie die daarop volgde liep de Nederlandse werkloosheid begin jaren tachtig op tot meer dan 10% van de beroepsbevolking.

In het algemeen zijn de nominale lonen tegenwoordig niet meer automatisch aan de inflatie gekoppeld. Hoewel de huidige krapte op de arbeidsmarkt bijdraagt aan stijging van de lonen, blijven de geraamde loonstijgingen dit jaar gemiddeld zelfs nog achter bij de inflatie. Daardoor dalen de reële lonen dit jaar, gemiddeld over de gehele Nederlandse economie (zie de DNB-raming in EOV juni 2022).

Daarbij staat het Nederlandse bedrijfsleven er nu veel beter voor dan destijds. In 2020-21 was de gemiddelde winstquote van alle niet-financiële bedrijven 40%. In de periode tussen 1972 en 1982 was dat 34%. Daardoor hebben bedrijven over het algemeen nu meer ruimte om tijdelijk hogere loonkosten op te vangen.

Verder is het economische en monetaire beleid nu anders dan toen. Monetair beleid is tegenwoordig gericht op prijsstabiliteit en heeft als doel dat de inflatie die gezinnen en bedrijven verwachten dichtbij de inflatiedoelstelling blijft. Destijds voerden beleidsmakers over het algemeen een ruim monetair beleid. 

De veronderstelling was dat dit op lange termijn positieve effecten heeft op de werkgelegenheid. Dit beleid voedde echter ook de inflatie. In de eerste helft van de jaren zeventig ging dit gepaard met een relatief hoge economische groei (zie figuur). De combinatie van hoge inflatie en hoge groei bleek echter niet houdbaar.

Hoge inflatie uiteindelijk schadelijk voor groei

Op langere termijn is hogere economische groei en lagere werkloosheid niet te bereiken door het laten oplopen van de inflatie. Sterker nog, recent werk van DNB-onderzoekers laat zien dat een te hoge inflatie het groeipotentieel van de economie schaadt. Zo bezien ondersteunt een verkrapping van het monetaire beleid met het oog op prijsstabiliteit uiteindelijk ook de economie en de werkgelegenheid. Dat vermindert het risico op een nieuwe stagflatieperiode.

Stagflactie, hoge inflatie in de jaren 70 vergeleken met 2022

Toelichting: Stagflatie is gedefinieerd als een jaar waarin de reële bbp per capita groei op jaarbasis 0% of lager is en inflatie hoger is dan het gemiddelde plus 1 standaarddeviatie (wat neerkomt op een inflatie van 5,8% of hoger, gemeten over de periode 1970-2021, jaarcijfers). Inflatie is CPI in 1970-1996 en HICP vanaf 1997. Inflatie en bbp-groei per capita in 2022-2024 zijn de DNB-ramingen in EOV juni 2022.