Waarschuwing: oplichters actief! Oplichters bellen u op met een telefoonnummer van DNB en zeggen dat ze bij DNB werken. Wij bellen u nooit. Ga hier nooit op in. Lees meer

Energieprijzen lopen op: wat betekent dit voor inflatie en monetair beleid?

Achtergrond

De oorlog in het Midden-Oosten zorgt voor hogere olie- en gasprijzen. Dat roept herinneringen op aan 2022, toen stijgende energieprijzen de inflatie fors opstuwden. Maar hoe vergelijkbaar is de huidige situatie eigenlijk, en wat betekent dat voor inflatie en monetair beleid vandaag?

Gepubliceerd: 16 april 2026

Close-up van een auto die wordt volgetankt bij een benzinestation

Olie en gas fors duurder door verstoringen in het Midden‑Oosten

De oorlog in het Midden-Oosten heeft geleid tot stijgingen van de olie- en gasprijzen. Half april noteert de olieprijs rond de 100 dollar per vat, terwijl de Europese gasprijs schommelt rond 50 euro per megawattuur. Dat is een forse stijging ten opzichte van eind februari, toen olie nog rond 70 dollar (+40%) per vat kostte en gas rond 30 euro (+60%) per megawattuur. Ter vergelijking: in 2022 steeg de olieprijs na de Russische inval in Oekraïne met circa 30% tot een piek van ruim 120 dollar per vat, terwijl de gasprijs meer dan verdrievoudigde tot boven 300 euro per megawattuur (zie figuur 1).

De huidige prijsstijgingen hangen samen met grootschalige verstoringen van de energie-aanvoer in het Midden-Oosten. Dat komt door aanvallen op productiefaciliteiten in de regio en door de blokkade van de Straat van Hormuz, waar een aanzienlijk deel van de mondiale olie- en LNG-aanvoer doorheen loopt. Onzekerheid over de duur van de oorlog en over verdere escalatie zorgt ervoor dat olie- en gasprijzen sterk fluctueren. Deze onzekerheid, in combinatie met uitzonderlijk volatiele energieprijzen, maakt het opstellen van economische ramingen bijzonder complex.

Hoe verschilt de huidige situatie van 2022?

Hoewel de stijging van energieprijzen herinneringen oproept aan 2022, verschilt de huidige situatie op twee belangrijke punten van toen.

Ten eerste is de oorzaak van de prijsstijgingen anders. In 2022 ging het vooral om een Europa-specifieke crisis, veroorzaakt doordat de aanvoer van Russisch gas wegviel. Het uitbreken van een oorlog op het Europese continent droeg ook bij aan brede economische onzekerheid. De huidige schok is meer mondiaal van aard. Nu leiden verstoringen aan de aanbodzijde tot tekorten in Aziatische markten, terwijl Europa vooral te maken krijgt met hogere olie- en gasprijzen. Daarmee lijkt de huidige schok meer op een “klassieke” (negatieve) aanbodschok dan bij de Russische inval. De nadruk ligt nu ook minder op gas terwijl olie een grotere rol speelt dan in 2022 (zie figuur 1).

Ten tweede is ook de economische context anders. In 2022 draaide Rusland de gaskraan dicht op het moment dat de economie heropende na corona en wereldwijde toeleveringsketens kampten met hardnekkige verstoringen. De vraag was sterk, de arbeidsmarkt krap en de kerninflatie liep al op voordat de oorlog tegen Oekraïne uitbrak (zie figuur 2). Daardoor was het risico op bredere prijsstijgingen groter. In de huidige situatie lijkt die voedingsbodem minder aanwezig. De economie groeit iets minder, er is wat minder druk van de vraagkant en de eerdere verstoringen aan de aanbodkant zijn grotendeels verdwenen. Dat verkleint de kans dat hogere energieprijzen opnieuw leiden tot langdurige en brede inflatiedruk.

Hoe werken de energieprijzen door in de inflatie?

Stijgende energieprijzen kunnen op verschillende manieren doorwerken in de inflatie, maar hoe sterk dat gebeurt hangt af van de economische situatie.

Zowel in 2022 als nu begon de inflatie te stijgen door hogere energieprijzen. Brandstoffen, gas en elektriciteit zitten in het officiële inflatiemandje. Brandstofprijzen reageren snel op hogere olieprijzen, terwijl energieprijzen voor huishoudens vaak later stijgen doordat veel mensen vaste contracten hebben. In 2022 speelde vooral gas een grote rol, terwijl op dit moment vooral de olie- en brandstofprijzen tot prijsdruk leiden.

Daarnaast werken hogere energieprijzen indirect door in de kosten van bedrijven, bijvoorbeeld via kosten van productie en transport. Bedrijven proberen deze hogere kosten door te berekenen in hun prijzen, maar dat lukt alleen als consumenten dat kunnen en willen betalen. In periodes van onzekerheid en terughoudende bestedingen ligt die doorwerking lastiger. Eerdere ervaringen laten zien dat de doorwerking van energieprijzen naar inflatie kleiner is in een zwakke economie, zoals rond 2010, of een gematigd groeiende economie zoals nu, dan in een periode van hoogconjunctuur, zoals in 2022.

Tot slot kunnen zogeheten tweede‑ronde‑effecten ontstaan. Als werknemers hogere inflatie verwachten, zullen zij in de onderhandeling met werkgevers hogere lonen eisen om koopkracht te behouden. Daarbij staan zij sterker als de economie goed draait en de arbeidsmarkt krap is. De loonstijgingen die hieruit voortkomen verhogen echter de kosten voor bedrijven en kunnen leiden tot verdere prijsstijgingen. Zo kan een tijdelijke stijging van energieprijzen uitmonden in langdurige inflatiedruk.

Het risico daarop kan worden ingeschat met indicatoren voor inflatieverwachtingen. Die laten zien of prijsstijgingen als tijdelijk worden beschouwd, of dreigen door te werken in lonen en prijzen. Als we kijken naar de inflatieverwachtingen in financiële markten, wijzen die tot nu toe voor de langere termijn erop dat zij stabiel en verankerd zijn gebleven dicht bij het doel van 2% (zie figuur 3). Tegelijkertijd bestaat het risico dat verwachtingen van huishoudens en bedrijven sneller zullen reageren en doorwerken doordat de inflatiepiek van 2022 nog vers in het geheugen ligt.

Hoe kan monetair beleid reageren?

Monetair beleid kan het weggevallen aanbod van energie niet voorkomen of herstellen. Omdat zulke aanbodschokken vaak leiden tot hogere inflatie en lagere economische groei, plaatst dit centrale banken voor een lastige afruil. Het dempen van inflatie gaat ten koste van de economische groei, terwijl die groei door de aanbodschok zelf toch al onder druk staat. Hoewel de richting van het monetaire beleid bij een aanbodschok wel duidelijk is – hogere inflatie vraagt om hogere rente – luistert de timing en omvang van deze verhogingen nauw.

Dat komt ook doordat vooraf nooit precies te voorspellen is hoe lang een aanbodverstoring zal aanhouden en of nieuwe schokken het effect verder zullen versterken. Daarom kan het monetaire beleid niet volledig van tevoren worden vastgelegd. Centrale banken moeten voortdurend blijven beoordelen wat er gebeurt en verschillende mogelijke ontwikkelingen en scenario’s tegen elkaar afwegen.

Een extra complicatie is dat monetair beleid altijd met vertraging doorwerkt in de economie. Rentewijzigingen beïnvloeden bestedingen, investeringen en prijzen pas na verloop van tijd. Dat vraagt om vooruitkijken: beleidsmakers moeten handelen op basis van signalen die nu zichtbaar zijn, terwijl de effecten pas later voelbaar worden.

Bij een duidelijk kleine of tijdelijke aanbodschok is het daarom vaak verstandig om niet direct in te grijpen, zeker als de economie al verzwakt is. Maar naarmate een schok groter is en het onzekerder wordt of prijsstijgingen snel uitdoven, wordt afwachten riskanter. In zulke gevallen kan ingrijpen nodig zijn om te voorkomen dat inflatie te sterk oploopt en het vertrouwen in stabiele prijzen onder druk komt te staan.

De huidige situatie voor de ECB

De Europese Centrale Bank (ECB) staat er op dit moment goed voor om bij te sturen. De beleidsrente staat op 2%, en ligt daarmee dicht bij een neutraal niveau: een stand die de economie niet aanjaagt of afremt.

Rente verhogen of juist niet?

De hamvraag is of de huidige energieprijsschok tijdelijk blijft of leidt tot langduriger hoge inflatie. Daarbij kijkt de ECB uiteraard naar hoe de situatie in het Midden-Oosten zich ontwikkelt, maar vooral ook naar signalen van onderliggende prijsdruk, zoals de ontwikkeling van lonen en inflatieverwachtingen in het eurogebied. Zolang die wijzen op beperkte doorwerking, is geen scherpe renteverhoging nodig.

Dat beeld kan veranderen als prijsstijgingen zich verbreden en hardnekkiger blijken. In dat geval neemt het risico toe dat de inflatie langer boven de 2%-doelstelling blijft, wat een actievere beleidsreactie kan vereisen. De ECB houdt de vinger aan de pols en zal het beleid aanpassen zodra de situatie daarom vraagt.

Ontdek gerelateerde artikelen