Ons laatste nieuws direct in uw mail ontvangen? 
Dat kan met de DNB Nieuwsservice.

Meld u aan

Oorlog in het Midden-Oosten: impact op de Nederlandse economie

Nieuws

Door de oorlog in het Midden-Oosten kan de inflatie in Nederland flink toenemen, maar duidelijk minder dan bij de energiecrisis in 2022. De economische groei kan in een zwaar scenario behoorlijk afnemen. Dat volgt uit nieuwe berekeningen van De Nederlandsche Bank voor de impact van hoge energieprijzen op de Nederlandse economie.

Gepubliceerd: 24 maart 2026

Nieuwsbericht Klein

De oorlog in het Midden-Oosten heeft geleid tot een sterke stijging van de olie- en gasprijzen. Zo lag de olieprijs op 19 maart ruim boven de USD 100 per vat en de gasprijs boven de EUR 60 per megawattuur, een stijging van circa 45% en 100% sinds eind februari. Ter vergelijking, in 2022 steeg de olieprijs na de inval van Rusland in Oekraïne met zo’n 30% tot een piek van ruim USD 120 per vat en de gasprijs met meer dan 250% tot een piek van boven de EUR 300 per megawattuur. De huidige stijging van de energieprijzen komt doordat de toevoer van olie en gas is verstoord door aanvallen op productiefaciliteiten en doordat Iran de scheepvaart door de Straat van Hormuz blokkeert. Door onzekerheid over de verdere ontwikkeling van de oorlog zijn deze energieprijzen bovendien sterk in beweging.

Actualisatie en twee scenario’s

De verstoring van wereldwijde energiemarkten heeft ook gevolgen voor de Nederlandse economie. Wat die gevolgen zijn, hebben we berekend met macro-economische modellen (Delfi en NiGEM) waarbij we hebben gekeken naar de mogelijke economische impact van de gestegen energieprijzen en verhoogde onzekerheid. Daarbij zijn we uitgegaan van drie situaties: een beperkte actualisatie van onze economische raming van december 2025, een ongunstig scenario en een zwaar scenario. De actualisatie is een doorrekening op basis van de hogere energieprijzen per 11 maart. In de twee scenario’s gaan we uit van een verdere stijging van olie- en gasprijzen.

Daarnaast houden we in de beide scenario’s rekening met verhoogde onzekerheid. Dat komt naar voren in een hogere risicopremie op aandelen en kredieten. Het weerspiegelt de onrust op financiële markten. En de onzekerheid over de gevolgen van hoge energieprijzen voor bedrijven en de economie. De veronderstellingen in de scenario’s sluiten aan op doorrekeningen van de ECB voor het eurogebied. De actualisatie en de twee scenario’s zijn geen volledige ramingen, want monetair beleid en overheidsbeleid worden onveranderd verondersteld.

In de actualisatie van onze Najaarsraming dalen de hoge olie- en gasprijzen in de loop van dit jaar weer tot niveaus van voor de oorlog (zie figuur 1), in lijn met marktverwachtingen. In het ongunstige scenario stijgen de olie- en gasprijzen eerst nog verder, en blijven ze ook in het tweede en derde kwartaal van dit jaar een stuk hoger. Dit veronderstelt dat de productie en de toevoer van olie en gas op korte termijn verstoord blijven, maar weer snel op gang komen doordat de scheepvaart door de Straat van Hormuz binnenkort herstelt. In het zware scenario stijgen de energieprijzen naar zeer hoge niveaus en blijven ze langer hoog. Dit past bij een situatie waarin de oorlog verder escaleert, de energie-infrastructuur in het Midden-Oosten nog meer schade oploopt en de verstoring in het transport van olie en gas langduriger is.

Actualisatie: effect op groei beperkt, maar inflatie neemt toe

Tijdelijk hogere energieprijzen hebben een klein negatief effect op de economische groei (zie figuur 2). De impact op de bestedingen van bedrijven en huishoudens blijft beperkt. De inflatie stijgt met ruim een half procentpunt in 2026 en 2027. De hogere energieprijzen werken met enige vertraging door in andere goederen- en dienstenprijzen.

Ongunstig scenario: dit jaar al behoorlijke impact

Bij de flink hogere olie- en gasprijzen in het ongunstige scenario valt de economische groei dit jaar een half procentpunt lager uit (zie figuur 2). Dat komt onder andere doordat de uitvoergroei in 2026 terugvalt, door de lagere groei van de voor Nederland relevante wereldhandel. Ook de groei van de bedrijfsinvesteringen en de consumptie van huishoudens neemt af, vooral in 2027. Dat hangt samen met de stijging van de inflatie met ongeveer een procentpunt in 2026 en 2027.

De hogere inflatie heeft een negatief effect op de reële inkomens van huishoudens. Dat remt de bestedingsgroei. Ook daalt het consumentenvertrouwen. Bedrijven worden door de hoge energieprijzen geconfronteerd met hogere kosten. Vooral industriële bedrijven die afhankelijk zijn van olie en gas hebben daar last van. De hogere energiekosten, in combinatie met een hogere risicopremie op kredieten en onzekerheid over de vraag naar hun producten en diensten, maken bedrijven in het scenario terughoudend om te investeren.

Zwaar scenario: lagere groei en flink hogere inflatie

De voor langere tijd zeer hoge energieprijzen in het zware scenario leiden tot meer economische schade. De groei valt in 2026 en 2027 terug met ongeveer 0,8 procentpunt. De inflatie loopt in 2026 op met 1,6 procentpunt en in 2027 met 2,8 procentpunt (zie figuur 2).

De groei van de particuliere consumptie neemt in 2027 met ruim 2 procentpunt af. Dat komt door het negatieve effect van de hogere inflatie op reële inkomens van huishoudens. De loongroei neemt in het scenario in 2027 weliswaar toe, maar minder dan de inflatie. Daarbij loopt de werkloosheid op en krijgt het consumentenvertrouwen een knauw.

Door de afnemende vraag naar goederen en diensten in binnen- en buitenland daalt ook de groei van de bedrijfsinvesteringen en van de uitvoer. De uitvoergroei daalt in lijn met een afnemende groei van de wereldhandel. De groei van bedrijfsinvesteringen neemt in 2027 af met meer dan 5 procentpunt. Behalve het effect van afgenomen vraag, verminderen ook de hogere risicopremie op kredieten en toenemende bedrijfskosten de investeringsgroei.

De inflatie neemt in het zware scenario sterk toe, doordat de energieprijzen langduriger op een hoog niveau liggen en doorwerken in de prijzen van andere goederen en diensten. De energiecrisis van 2022 heeft laten zien dat zulke doorwerkingseffecten sterker kunnen zijn dan werd gedacht, bijvoorbeeld de doorwerking van hoge energieprijzen in voedselprijzen. Door de hogere inflatie zullen werknemers proberen hun koopkrachtverlies te compenseren met hogere looneisen. Hierdoor ontstaan ook tweederonde-effecten. Die maken de hoge inflatie hardnekkiger.

Impact op de energie-uitgaven van huishoudens

We hebben ook berekend wat de verschillende scenario’s betekenen voor het besteedbaar inkomen van verschillende groepen huishoudens. Met een microsimulatiemodel hebben we de effecten van de hogere prijzen voor energie (elektriciteit en gas) en brandstoffen (olie en diesel) geschat. We houden het inkomen constant op het niveau van 2025 en laten alleen de hogere energiekosten doorwerken. Het effect op het besteedbaar inkomen ontstaat dus volledig doordat de uitgaven stijgen.

Over het microsimulatiemodel

Het microsimulatiemodel gebruikt recente inkomensdata gekoppeld aan verbruiksdata uit 2015 en houdt geen rekening met gedragsaanpassingen. De resultaten vormen daarom een bovengrens. In werkelijkheid zal de impact lager zijn. Zo is het energieverbruik (vooral gas) in de afgelopen jaren fors gedaald en besparen huishoudens na prijsschokken doorgaans meer. Wel maken we aannames voor de dempende werking van verschillende energiecontracten. We baseren deze op een recente studie waaruit blijkt dat de nieuwe CBS‑meetmethode leidt tot circa 45% lagere geschatte energielasten. Dit komt bijna alle huishoudens een vast (54%) of variabel (39%) contract hebben (ACM); bij variabele contracten worden tarieven slechts enkele keren per jaar aangepast. Slechts 7% heeft een dynamisch contract, waarbij prijzen dagelijks wijzigen en prijsstijgingen daardoor direct zichtbaar zijn op de energierekening.

Uit deze berekening blijkt dat het negatieve effect van de hoge energieprijzen op besteedbare inkomens lager is dan tijdens de energiecrisis van 2022. In de actualisatie van de Najaarsraming bedraagt het negatieve effect 1% voor het gemiddelde huishouden. Dat is ongeveer drie kwart lager dan in 2022. In het zware scenario is het negatieve effect 6%, nog steeds ongeveer een kwart lager dan na de prijsschok in 2022. Lagere inkomens worden sterker geraakt door de hogere energieprijzen, omdat zij een groter deel van hun inkomen uitgeven aan vaste lasten zoals energie. De effecten van hogere brandstofprijzen zijn gelijker verdeeld over inkomensgroepen.

Met CBS-microdata schatten we ook de gevolgen voor de energiequote. Dit is het aandeel van het huishoudinkomen dat naar de energierekening gaat. Hierin kunnen we wel inkomenseffecten en recente verbuikdata meenemen en maken we dezelfde aannames voor het verzachtende effect van contracttypen. Ook in deze berekening houden we geen rekening met gedragsreacties.

De gemiddelde energiequote komt neer op iets minder dan 4% in de actualisatie en iets minder dan 5% in het zware scenario, waarbij de gevolgen voor lagere inkomens opnieuw groter zijn. In alle scenario’s blijft de energiequote onder het niveau van 2022 (zie figuur 3).

Impact afhankelijk van duur en schade oorlog

De doorrekeningen laten zien dat de economische effecten voor Nederland sterk afhangen van de duur van de oorlog en van de schade aan de productie-infrastructuur en de energietoevoer vanuit het Midden-Oosten. Bij tijdelijk hogere energieprijzen kunnen de effecten op groei en inflatie meevallen. Langdurig zeer hoge energieprijzen werken uiteindelijk door in de prijzen van andere producten. Met een vertraging heeft dat ook een effect op de lonen. Door zulke tweederonde-effecten neemt het risico op hardnekkiger hoge inflatie toe. In de praktijk zal het monetair beleid hierop reageren om prijsstabiliteit te waarborgen, waardoor de inflatie lager kan uitvallen dan in de scenario’s.

Ontdek gerelateerde artikelen