Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

06 juli 2015 Toezicht Toezichtlabel Factsheet

Op grond van de prudent person regel in artikel 135 Pensioenwet moeten pensioenfondsen beleggen in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden. In wet- en regelgeving is hieraan een nadere invulling gegeven. Maar er blijft uitdrukkelijk sprake van een open norm: de verantwoordelijkheid om een beleggingsbeleid te voeren in overeenstemming met het prudent person beginsel ligt bij het pensioenfonds.

In aanvulling op de prudent person regel zijn ook het uitgangspunt van beheerste en integere uitvoering (artikel 143 Pw), de regels voor uitbesteding (artikel 34 Pw) en de regels voor leningen (artikel 136 Pw) van belang voor de invulling en uitvoering van het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.

Prudent person regel

De belangrijkste uitgangspunten voor toepassing van het prudent beginsel die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving, zijn in het kort:

Artikel 135 Pensioenwet

  • De waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden.
  • Er geldt een maximum voor beleggingen in de bijdragende onderneming.
  • De beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering.
  • Een pensioenfonds vermeldt in zijn jaarverslag hoe in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen.

Artikel 13 en 13a Besluit ftk

  • De veiligheid, kwaliteit, liquiditeit en rendement van de beleggingsportefeuille als geheel worden gewaarborgd.
  • Het beleggingsbeleid sluit aan op de aard en duur van de toekomstige pensioenuitkeringen.
  • Beleggingen op niet-gereglementeerde financiële markten worden tot een prudent niveau beperkt.
  • Derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken.
  • Beleggingen worden gediversifieerd, zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent of waarden of groep van ondernemingen wordt vermeden (geldt niet voor staatsobligaties).
  • Het strategisch beleggingsbeleid (lange termijn) past bij de doelstelling en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding van het fonds en is gebaseerd op gedegen onderzoek.
  • Het strategisch beleggingsbeleid bevat een beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de beoogde beleggingsportefeuille en de mate waarin van deze beleggingsportefeuille kan worden afgeweken.
  • Het beleggingsplan is een vertaling van het strategisch beleggingsbeleid voor de korte termijn. Het beleggingsplan bevat concrete en gedetailleerde richtniveaus en bandbreedtes per beleggingscategorie.
  • Het fonds onderbouwt dat het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan passen binnen de prudent person regel.
  • Het fonds stelt een beleggingscyclus vast.
  • In de Wet Verbeterde premieregeling is deze lagere regelgeving specifieker gemaakt voor premieregelingen en variabele pensioenen in artikel 14a, 14b en 14d van het besluit uitvoering pensioenwet, zie factsheet Prudent person premieregeling en variabele uitkering.

Beheerste en integere bedrijfsvoering

Een beheerste en integere bedrijfsvoering (artikel 143 Pw) betekent onder meer dat een pensioenfonds zijn organisatie dusdanig inricht dat sprake is van goede procedures en controle mechanismen, dat er beleid is voor beheersing van risico’s en dat het fonds zorg draagt voor de uitvoering van dat beleid (zie artikel 18 Besluit ftk).

Specifiek voor het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid geldt dat het fonds een duidelijke organisatiestructuur vastlegt waarin (1) het risicobeheer adequaat en onafhankelijk is vormgegeven en (2) een zorgvuldig en transparant besluitvormingsproces is geborgd. Daarnaast geldt dat sprake moet zijn van een balans tussen aard en complexiteit van de beleggingsportefeuille enerzijds en de aanwezige kennis en ervaring, en het risicobeheer anderzijds.

Regels uitbesteding

Een andere algemene wettelijke eis is dat een pensioenuitvoerder bij uitbesteding zorg draagt dat de externe uitvoerder de geldende wet- en regelgeving naleeft (artikel 34 Pw). Hierbij zijn regels vastgelegd voor de overeenkomst tot uitbesteding en de beheersing van risico’s die verband houden met uitbesteding (zie artikel 13 en 14 Besluit uitvoering Pw).

Voor de beleggingen betekent dit onder meer dat de opdracht die het pensioenfonds geeft aan de vermogensbeheerder, het beleggingsmandaat, aansluit op het strategische beleggingsbeleid en het beleggingsplan van het pensioenfonds zelf. Dit om te voorkomen dat de uitvoering die de vermogensbeheerder aan zijn mandaat geeft, gepaard gaat met risico’s die het fonds niet heeft beoogd of voorzien. Ook is er een sluitende set afspraken en richtlijnen nodig tussen pensioenfonds en vermogensbeheerder om de opdracht te begrenzen in aansluiting op het vastgestelde beleid. Daarnaast moeten pensioenfondsen vooraf een concrete selectie- en evaluatieprocedure vastleggen voor externe vermogensbeheerders met concrete prestatie-indicatoren.

Verbod op langlopende leningen en garantstelling

Een pensioenfonds gaat geen leningen aan, tenzij het gaat om een tijdelijke lening (maximaal een jaar) voor liquiditeitsdoelstellingen. Een fonds treedt niet namens derde partijen op als garant. Zie hiervoor artikel 136 Pw en artikel 14 van het Besluit ftk.

sector

  • Pensioenfondsen