Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

09 december 2021 Algemeen
Oudere dame met telefoon

Zo’n 85 procent van de pensioenfondsen is begonnen aan de voorbereiding op het nieuwe pensioenstelsel. Ruim 70 procent is een project gestart om de transitie voor te bereiden. Daarnaast bereidt 15 procent van de pensioenfondsen zich op een andere wijze voor, omdat zij als gesloten fonds in het huidige stelsel willen blijven, of de pensioenrechten overdragen aan een andere pensioenuitvoerder. Dat blijkt uit een enquête die De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten hebben gehouden onder 161 pensioenfondsen.

Transitie naar nieuw pensioenstelsel uitdaging voor pensioenfondsen

In het Pensioenakkoord is afgesproken om dát deel van de pensioenen dat door werkgever en werknemer samen bij elkaar wordt gelegd, het zogenoemde ‘tweedepijler-pensioen, transparanter en persoonlijker te maken. In het huidige pensioenstelsel storten deelnemers via hun werkgever premie in een collectief vermogen en ontvangen daarvoor het recht op uitkering vanaf de pensioenleeftijd. De uiteindelijke hoogte van deze uitkering is afhankelijk van de ontwikkeling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds, dus de mate waarin de aanwezige bijeengebrachte middelen de toekomstige verplichtingen van het fonds dekken. In het nieuwe stelsel staat niet de dekkingsgraad centraal, maar de pensioenpremie. Deze komt terecht in het persoonlijke pensioenvermogen van de deelnemer, en is uiteindelijk bepalend voor de hoogte van de uitkering. De voordelen van collectief beleggen en risicodeling tussen deelnemers blijven wel overeind in het nieuwe stelsel.

De transitie naar deze nieuwe pensioenregelingen is een complex, omvangrijk en in essentie onomkeerbaar proces. Het gaat gepaard met verscheidene risico’s die vragen om een adequate beheersing. In de eerste plaats moet het bestaande collectieve pensioenvermogen evenwichtig worden verdeeld onder de deelnemers van het pensioenfonds. Hiervoor moeten alle gegevens over de opgebouwde pensioenen juist, volledig en reproduceerbaar zijn. Daarnaast vragen de nieuwe regelingen om een wendbare IT-omgeving en een pensioenadministratie die sterker gelinkt is aan de beleggingen. Een verandering in de waarde van beleggingen heeft straks immers direct impact op de omvang van het pensioenvermogen van een deelnemer. In een aansprakenadministratie is dat niet het geval. Ook het beleggingsbeleid verandert. Waar het beleggingsbeleid nu moet aansluiten op de gezamenlijke risicohouding van alle deelnemers, moet een pensioenfonds dat beleid straks laten aansluiten op de risicohouding per leeftijdscohort.

DNB en AFM hebben bij pensioenfondsen nagevraagd waar zij staan in de voorbereiding op de transitie naar een nieuw stelsel. De transitie is volgens de conceptwetgeving per 2023 mogelijk en moet uiterlijk op 1 januari 2027 zijn afgerond.

Pensioenfondsen zien verschillende toekomstscenario’s

In de Wet Toekomst Pensioenen is het zogeheten ‘invaren’ de standaard. Hiermee wordt bedoeld dat de huidige pensioenrechten worden omgezet naar het nieuwe stelsel. Er kunnen echter ook redenen zijn om hiervan af te zien. Ook kunnen pensioenfondsen besluiten om de pensioenrechten over te dragen aan een andere pensioeninstelling en het pensioenfonds op te heffen, ook wel ‘liquideren’ genoemd.

Figuur 1 geeft een overzicht van de toekomstverwachtingen van de pensioenfondsen

Verwachte toekomstscenario pensioenfondsen

Circa twee derde van de pensioenfondsen verwacht de bestaande pensioenrechten in te varen. Een klein deel hiervan verwacht ook te liquideren. Van de pensioenfondsen die verwachten niet in te varen, overweegt grofweg de helft te liquideren. De ander helft verwacht om uiteenlopende redenen niet te kunnen of willen invaren. Zo zijn er in deze groep bijvoorbeeld pensioenfondsen die reeds een premieregeling hebben, gesloten fondsen waarvan de (voormalig) werkgever niet meer bestaat en fondsen waar de werkgever nog een bijstortverplichting heeft.

Uit de uitvraag blijkt dat zo’n 20 procent van de pensioenfondsen verwacht te liquideren. De meeste van deze fondsen hebben een beheerd vermogen van minder dan 1 miljard euro. De liquidatieplannen zijn nog niet altijd vergevorderd. Meer dan de helft van deze pensioenfondsen weet nog niet in welk jaar de overdracht zal plaatsvinden.

Van de invarende pensioenfondsen verwacht zo’n 60 procent het transitie-ftk toe te zullen passen. Dit is een wettelijk kader voor pensioenfondsen die verwachten in te varen. In dit kader hoeft – vooruitlopend op de nieuwe pensioenregelingen – minder snel te worden gekort en mag eerder worden geïndexeerd. Pensioenfondsen moeten bij dekkingsgraden lager dan 90% wel maatregelen nemen, waarbij het korten van de aanspraken tot de mogelijkheden behoort. Ook moet de dekkingsgraad op het moment van invaren voldoende hoog zijn om tot evenwichtige uitkomsten te komen.

Figuur 2 Verwachte jaar van invaren pensioenfondsen

Verwachte jaar van invaren pensioenfondsen

Meer dan de helft van de pensioenfondsen heeft nog geen concrete verwachting voor het jaar van invaren. Voor de fondsen die dat al wel hebben, is het jaar van invaren redelijk gelijkmatig gespreid over de jaren 2024-2026. Geen enkel fonds verwacht in 2023 in te varen. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat de wetgeving pas in 2022 definitief wordt en de meer precieze wettelijke eisen voor het invaren nog niet bekend zijn. Indien de pensioenfondsen die nog geen concrete verwachting hebben allemaal in de laatste jaren gaan invaren, ontstaat in die periode een piek. Dit geeft een risico op capaciteitsproblemen bij uitvoeringsorganisaties, actuarissen, accountants en toezichthouders. DNB brengt op dit moment op basis van de uitvraag in kaart of zij voldoende capaciteit heeft om haar taak adequaat uit te voeren en vraagt pensioenfondsen om hetzelfde te doen.

DNB verwacht dat pensioenfondsen regie voeren op transitietraject

Om te komen tot een tijdige en beheerste transitie, is het van belang dat pensioenfondsen ‘regie voeren’ op het transitieproces. Dit betekent dat ze sturing geven aan een duidelijk, haalbaar transitiepad en zeker stellen dat die transitie beheerst verloopt. Afhankelijkheden van andere stakeholders, zoals sociale partners of de pensioenuitvoeringsorganisatie, moeten daarvoor in kaart worden gebracht. Verder is het noodzakelijk om een beeld te vormen van de risico’s die zich voor kunnen doen en hoe ze beheerst kunnen worden. Bijvoorbeeld door terugvalscenario’s in kaart te brengen of tijdig extra expertise in te huren.