Dag iedereen.
Jeroen Bosch. Hoe kan ik niet aan hem denken – deze summit, deze zaal, deze stad: ze zijn verbonden door één naam. Een naam met wereldfaam.
U hebt allemaal een print gekregen van een van zijn bekendste werken, het drieluik de ‘Tuin der Lusten’, wat vandaag in het Prado in Madrid hangt.
In de vijftiende, zestiende eeuw waren drieluiken doorgaans bestemd om boven een altaar te hangen. In een kerk. Dit werk niet.
Het was eerder bedoeld voor een wereldlijke omgeving. Zoals het hof van de Nassaus, in Brussel, waar het een tijdje hing. Bedoeld voor mensen met macht en verantwoordelijkheid. Voor mensen die beslissingen nemen, met gevolgen. Om hen eraan te herinneren dat wat ordelijk begint, dat niet vanzelf blijft.
Wat ook de Nassaus zelf niet veel later konden ondervinden – want Alva kwam langs en liet het werk naar Spanje verschepen.
Laat ik nu wat verder inzoomen op het werk
Op het linkerpaneel ziet u een harmonieuze wereld. Er heerst rust en orde, er is plaats voor iedereen, alles lijkt mogelijk. Eigenlijk gebeurt er niet zo veel.
Dat verandert radicaal in het middenpaneel. Daar heerst drukte, reuring – er is verleiding en experiment, er worden gekke dingen gedaan en grenzen verkend. Er gebeurt heel veel. We zien geen ontsporing, maar een opeenstapeling – veel en allemaal tegelijk. En daarin zit spanning.
Het rechterpaneel dan, laat zien wat er gebeurt als die spanning zich ongestoord doorzet.
Dit drieluik bestaat dus niet uit losse scènes – we zien een ontwikkeling. Geen moreel oordeel, maar logica – van links, over het midden, naar rechts.
Precies die logische lijn maakt een triptiek zo’n krachtig denkkader. Ook buiten de schilderkunst – zoals voor het verhaal dat ik u vanavond wil vertellen: het verhaal van ons verdienvermogen.
Op het linkerpaneel gaat het dan om vragen als: waar staan we nu? Wat is onze uitgangspositie?
Nou, onze uitgangspositie is onomstreden goed. Dat mag gezegd worden. Het is goed leven in Nederland – op het vlak van gezondheid, onderwijs en inkomen. En het is ook goed ondernemen in Nederland – onze beroepsbevolking is hoogopgeleid, we horen bij de productiefste landen ter wereld, we staan sterk in concurrentiekracht en innovatie, én we hebben sterke, stabiele instituties.
Maar zoals ik al zei: op het linkerpaneel is er nog niet zo heel veel aan de hand.
Dat verandert als we naar het middenpaneel kijken. Op het middenpaneel van mijn economisch verhaalt gebeurt er van alles wat die rust op het linkerpaneel verstoort. Het is veel, net zoals op het schilderij van Jeroen Bosch.
Ik neem u er dus even mee door.
Als eerste duiken de uitdagingen voor onze productiviteitsgroei op – deze daalt al langere tijd, terwijl hogere productiviteit juist van groot belang is om de gevolgen van vergrijzing op te kunnen pakken. In tegenstelling tot de VS zien we technologische vooruitgang nog onvoldoende vertaald in productiviteitsgroei.
Dan duiken onze internationale afhankelijkheden op die nu strategisch worden ingezet. Of beter, tegen ons worden ingezet: handelsbarrières nemen toe, technologie wordt geopolitiek, en toegang tot strategische goederen en kennis wordt belemmerd.
En naast de vergrijzing, de schaarste aan arbeid en de gespannen internationale context, duikt onze veiligheid op. Vertaald naar NAVO-afspraken over defensie-uitgaven gaat dat om 3,5 procent van ons bbp.
Voeg hieraan toe de energietransitie, niet meer alleen nodig om te voldoen aan internationale afspraken om de CO2-emissie te verlagen, maar tegenwoordig ook om onze afhankelijkheid van uit het buitenland afkomstige fossiele brandstoffen te verminderen.
Op de langere termijn werd al een sterke verslechtering van de overheidsschuld geraamd, en die druk op de overheidsfinanciën neemt door deze zaken alleen maar toe.
En dan zijn er dus twee financieringsopties: hogere belastingen of lagere uitgaven elders. En precies daarom is extra groei belangrijk – het maakt dergelijke budgettaire keuzes niet onnodig, maar verzacht wel de pijnlijke gevolgen. En hogere groei vraagt bovendien om investeringen. Zonder de begroting te laten ontsporen.
Nou, het middenpaneel van mijn economisch verhaal is hiermee al behoorlijk druk, en we gaan het nog wat drukker maken. En onze overheid erbij halen.
Voor hogere groei zonder de begroting te laten ontsporen hebben we een overheid nodig die optreedt als marktmeester en de randvoorwaarden creëert waarbinnen bedrijven en ondernemers kunnen floreren.
Niet een overheid die op grote schaal markten gaat sturen met industriebeleid of risico’s structureel overneemt. Maar een overheid die regels helder en voorspelbaar maakt, knelpunten wegneemt, en zorgt dat private investeringen – in mensen, energie, innovatie en infrastructuur – wél van de grond komen. Een overheid die alleen ingrijpt als er sprake is van marktfalen.
Ook Peter Wennink benadrukt in zijn rapport het belang van de juiste randvoorwaarden. Wennink constateert terecht:
- We hebben stikstofruimte nodig, en wat we hebben wordt nu niet efficiënt verdeeld.
- We hebben netcapaciteit nodig, maar die is er onvoldoende.
- We hebben technisch geschoold personeel nodig, maar dat is er te weinig.
- En we hebben een beleid nodig dat voorspelbaar én uitvoerbaar is – en daar schort het wel eens aan.
Hierdoor blijven innovatieve ideeën op de plank liggen, stellen bedrijven investeringen uit, of overwegen ze zelfs geheel uit te wijken.
En dit geldt uiteraard ook voor het Europese niveau.
In hun rapporten lieten Mario Draghi en Enrico Letta zien dat ook op dat niveau aanzienlijke productiviteitswinsten te behalen zijn – als er maar goede randvoorwaarden gecreëerd worden.
Laat me ons economische middenpaneel dus nog een laatste keer wat drukker maken. En Europa toevoegen.
De Europese Unie bestaat vandaag uit 27 landen. We zijn een handelsblok met een enorme interne markt. En toch lopen bedrijven en investeerders die buiten de landsgrenzen kijken tegen barrières aan – blijven potentiële schaalvoordelen on- of onderbenut.
Voor onze productiviteitsgroei – in Nederland én Europa – is verdere marktintegratie dan ook cruciaal.
Laat me dit wat concreter maken.
De Europese Unie heeft een indrukwekkende spaarbasis. Huishoudens in de 27 lidstaten beschikken gezamenlijk over meer dan tien biljoen euro aan spaargeld. Dat is een tien met twaalf nullen erachter.
Tegelijk is de investeringsbehoefte zeer groot. In Nederland, maar evengoed in heel Europa.
Het ene met het andere verbinden zou hogere rendementen voor huishoudens opleveren en tegelijk noodzakelijke investeringen voor onze welvaart faciliteren.
Hier in Brabant zou zo’n win-win snel beklonken zijn. Maar in Europa gebeurt het niet. Daar kijken investeerders momenteel aan tegen 27 versnipperde kapitaalmarkten – elk met hun eigen insolventierecht, toezichtsvereisten en regelgeving. Een ambitieuze invulling van de Spaar- en Investeringsunie is dus essentieel.
Even belangrijk, zo niet belangrijker, is een verdere integratie van de interne markt – want ook daar zijn er nog steeds heel wat barrières. Zowel voor goederen, bijvoorbeeld als het aankomt op etikettering en verpakking, als voor diensten, bijvoorbeeld in het ontbreken van wederzijdse erkenning van diploma’s en kwalificaties.
Maar even goed zijn er barrières op het vlak van fiscaliteit en arbeidsrecht waardoor internationale investeringen uitblijven.
Recent onderzoek van het IMF en de ECB laat zelfs zien dat de huidige barrières equivalent zijn aan importtarieven van ongeveer 40 procent voor goederen en zelfs meer dan 100 procent voor diensten.
Uiteraard zullen er altijd nationale verschillen blijven, daar zit voor een deel ook de kracht van het Europese project, maar de ECB schat in dat zo’n acht à negen procentpunt van de handelskosten wegvallen als alle EU-landen eenzelfde niveau van handelsintegratie zouden bereiken als het meest geïntegreerde land van de EU – en dat is Nederland.
Daarom verwelkom ik ook ambitieuzere harmonisatievoorstellen – zoals bijvoorbeeld het zogenaamde EU Inc., beter bekend als het 28ste regime. Idealiter niet een regime bovenop de bestaande 27, maar deels ter vervanging.
Ook zou het helpen als de Europese Commissie richtlijnen vervangt door verordeningen. Hiermee zouden nationale koppen op Europese wetgeving kunnen worden verminderd.
Harmonisatie kan het pan-Europese ondernemen flink eenvoudiger maken – al moeten lidstaten dan wél bewegen, compromissen sluiten, en een stukje eigen recht willen loslaten.
Daar is vandaag nog niet veel van te merken in de praktijk, maar de neuzen staan wel steeds meer in dezelfde richting: minder fragmentatie levert schaalvoordelen op, stimuleert investeringen en maakt innovatie rendabeler.
Hiervoor hoeft Europa trouwens niet politieker te worden dan het vandaag is. Daar zou ik ook geen uitspraken over doen – ik sta hier tenslotte als econoom. Nee, Europa moet gewoon beter economisch georganiseerd worden. En dat kan heel technisch klinken, met insolventieregels, toezichtconvergentie, en erkenning van kwalificaties, maar in essentie is het een productiviteitsagenda.
Zo – ik denk dat het middenpaneel van mijn verhaal nu wel voldoende druk is.
U snapt het, net als in de ‘Tuin de Lusten’, gaat mijn middenpaneel niet over één probleem, maar over een opeenstapeling.
En hiermee schuiven we door naar het rechterpaneel. Naar: wat staat er op het spel? Wat gebeurt er als we niet handelen, als we de boel de boel laten?
Volgens Mario Draghi ziet het er dan niet al te best uit: ‘Als we niets doen, is Europa over vijftig jaar niet meer dan een openluchtmuseum voor Amerikaanse toeristen’.
Ook Peter Wennink was niet mis te verstaan: ‘Wie technologisch niet meetelt, zit niet aan tafel – en wie niet aan tafel zit, staat op het menu.’
Tel daarbij de schuldenproblematiek op die al speelt in Europa en waar Nederland ook op middellange termijn op afstevent, en er ontstaat een beeld dat verdacht veel lijkt op het rechterpaneel dat u op de print voor u ziet – een hels spektakel.
Maar zo alarmistisch wil ik niet zijn. Het aanjagen van de productiviteit met weinig begrotingsruimte is een lastige opgave, maar geen onmogelijke.
Want een deel van de oplossingen vraagt niet per se om enorme nieuwe publieke uitgaven. Consistent en voorspelbaar beleid kost in begrotingstermen weinig. Voor de Europese harmonisatie-initiatieven die ik zojuist aanhaalde, geldt hetzelfde. En regeldruk verminderen kan zelfs middelen vrijmaken.
Onderwijs, infrastructuur en energie kosten uiteraard geld, maar leveren op termijn ook wat op: ze vergroten het groeivermogen. Bovendien zijn er nog voldoende dekkingsmogelijkheden, zoals het snoeien in niet-doeltreffende en niet-doelmatige fiscale regelingen.
Ik schaar me wel helemaal achter de idee van de heren Wennink, Draghi en Letta dat we niet kunnen blijven stilzitten.
Op het linkerpaneel dat ik schetste, is het goed leven en goed ondernemen. Maar de rust die daar heerst, wordt grondig verstoord. En daar moeten we iets mee.
Als we dat niet doen, belanden we in een economie die minder groeit, minder vernieuwt, en minder aantrekkelijk is voor talent en ondernemerschap. Kortom, een economie waar het minder goed leven en ondernemen is.
En dan belanden we in een rechterpaneel dat inderdaad wel iets kan hebben van het werk dat u voor u heeft.
Maar in tegenstelling tot dat werk, moet het rechterpaneel in mijn, in ons verhaal nog vorm krijgen: het staat nog niet op doek.
Meer nog, daar ligt een opdracht – voor Europa, voor Nederland, en net zo goed voor Brabant – een opdracht om keuzes te maken die onze welvaart en ons welzijn veiligstellen.
- Met een duidelijke productiviteitsagenda die consequent uitgevoerd wordt en niet terugschrikt van hervormingen.
- Met randvoorwaarden die toelaten om met vertrouwen te ondernemen en investeren.
- Met een interne markt met minder barrières, kapitaal dat kan stromen, talent dat kan bewegen, en bedrijven die kunnen opschalen.
We zijn hier vandaag in het prachtige Den Bosch. Parel van Brabant. Geboorteplaats van een grootse schilder: iemand van hier, wiens werk vandaag verspreid hangt over heel Europa.
Wat lokaal begint, kan dus Europees worden – zolang er maar verbinding is, verbeelding, en het vermogen om ideeën te laten reizen.
Als we daarvoor kiezen, dan schetsen we samen een rechterpaneel waar het goed leven en goed ondernemen blijft. In Europa, in Nederland, en hier, in het schilderachtige, ondernemende, hartelijke Brabant.
Dank u wel.