Op 8 december 2021 heeft DNB bekendgemaakt dat, voor de toepassing van art. 130(f) en 134(2) Bgfo, het prudentieel toezicht in het VK in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen. Door deze beoordeling mogen Nederlandse icbe’s ook na het vertrek van het VK uit de Europese Unie (na 1 januari 2022) nog vermogen beleggen in deposito’s bij banken met een zetel in het VK, en mogen deze icbe’s bij een transactie in OTC-derivaten een tegenpartijrisico hebben van maximaal 10% van hun vermogen wanneer de tegenpartij een bank met zetel in het VK is.
In 2026 heeft DNB opnieuw een evaluatie uitgevoerd van dit equivalentiebesluit. Op basis van deze evaluatie ziet DNB vooralsnog geen aanleiding om het bestaande oordeel te herzien (zie hier).
Deze beoordeling is voor onbepaalde periode geldig en wordt periodiek geëvalueerd. Dit kan ertoe leiden dat het oordeel wordt ingetrokken, dat het prudentieel toezicht in het VK in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen. Een eventuele wijziging in deze beoordeling van DNB zal tijdig worden aangekondigd.