Antwoord:
DNB verwacht van pensioenfondsen en/of collectiviteitskringen dat zij bij de melding van het voornemen tot een CWO na invaren onderstaande stappen adequaat kunnen onderbouwen.1 Dit geldt voor CWO’s tussen pensioenfondsen en/of collectiviteitskringen die een solidaire premieregeling (SPR) dan wel een flexibele premieregeling (FPR) met alleen een variabele uitkering uitvoeren. Voor de leesbaarheid wordt hierna steeds gesproken over een CWO tussen fondsen.
- Maak een vergelijking tussen de betrokken fondsen.
- Ingeval van verschillen, maak de impact van de verschillen inzichtelijk.
- Verklaar de relevante verschillen tussen de regelingen.
- Onderbouw waarom ondanks de verschillen sprake is van een evenwichtige uitkomst.
In bepaalde gevallen hoeven Stappen 2 tot en met 4 niet te worden doorlopen.
Stap 1: Maak een vergelijking tussen de betrokken fondsen
Om de impact van de CWO te bepalen, dienen fondsen allereerst een vergelijking te maken tussen de betrokken fondsen, waarbij in ieder geval de regeling, de populatie en de risicohouding zijn betrokken. Hieronder volgt een (niet-limitatieve) lijst van elementen die kunnen verschillen en daarmee kunnen leiden tot herverdeling tussen deelnemersgroepen en impact op hun pensioenperspectief.
- Regeling
- Type regeling (SPR / FPR).
- Solidariteitsreserve of risicodelingsreserve: omvang, vul- en uitdeelregels van de reserve, doelstellingen van de reserve.
- Spreidingsvermogen.
- Eigen vermogen, operationele reserve en kostenvoorziening.
- Gesloten of open regeling.
- Pensioenverwachtingen op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario.
- Populaties
- Verschillen in o.a. sterftekansen, ontslagkansen.
- Verschillen in bestandsopbouw in samenhang met het voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal.
- Risicohouding
- Risicohouding en het daarbij passende beleggingsbeleid.
- Eventuele toedelingsregels.
Als de betrokken fondsen uit de gemaakte vergelijking overtuigend hebben onderbouwd dat er geen materiële verschillen bestaan én de impact op het inkooptarief beperkt is (zoals door de fondsen zelf te onderbouwen), hoeven de Stappen 2 tot en met 4 niet te worden doorlopen. Dat is het geval als:
- de betrokken fondsen bij de gemaakte vergelijking in Stap 1 kunnen aantonen dat er geen materiële verschillen bestaan tussen de regelingen, en
- de impact op de (verwachte) uitkeringen door het verschil tussen de sekseneutrale overlevingskansen die nu van toepassing zijn voor het overdragende en ontvangende fonds en de ná de CWO gehanteerde sekseneutrale overlevingskansen beperkt is.
De CWO heeft in die gevallen geen materiële impact. Het is aan de betrokken fondsen om dit aan te tonen. DNB oordeelt vervolgens op basis van het onderbouwde verzoek of Stappen 2 tot en met 4 moeten worden doorlopen.
CWO kort na invaren
Indien fondsen op de CWO hebben voorgesorteerd bij de vormgeving van de regelingen, is de kans groter dat er geen materiële verschillen bestaan op een moment vlak na invaren. Naarmate de tijd na het invaren vordert, zullen in de regel grotere verschillen ontstaan tussen verschillende regelingen en zullen de betrokken partijen naar verwachting ook Stappen 2 tot en met 4 moeten doorlopen. Overigens kunnen er ook bij vrijwel identieke regelingen en risicohoudingen materiële verschillen zijn als gevolg van verschillen in bestandsopbouw en sterftekansen.
Stap 2: Ingeval van verschillen, maak de impact van de verschillen inzichtelijk
Indien na het doorlopen van Stap 1 blijkt dat materiële verschillen bestaan, verwacht DNB dat de impact daarvan berekend en inzichtelijk wordt gemaakt voor de relevante deelnemersgroepen. Deze impact moet aantoonbaar worden meegewogen bij de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende evenwichtige belangenafweging.
De effecten van de CWO kunnen in ieder geval berekend worden door het inzichtelijk maken van de netto-profijt-effecten en de pensioenverwachting – op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario.
Door deze maatstaven te hanteren, kan de impact op pensioenuitkeringen in verschillende scenario’s, en de impact ten aanzien van herverdeling in termen van netto profijt tussen leeftijdscohorten en deelnemersgroepen, inzichtelijk worden gemaakt.
Stap 3: Verklaar de relevante verschillen tussen de regelingen
Als uit Stap 2 naar voren komt dat de CWO materiële impact heeft op de relevante deelnemersgroepen, moeten de betrokken fondsen onderbouwen welke verschillen ten grondslag liggen aan de geconstateerde impact, bijvoorbeeld aan de hand van de eerdergenoemde elementen in Stap 1.
Stap 4: Onderbouw waarom ondanks de verschillen sprake is van een evenwichtige uitkomst
Indien sprake is van materiële herverdelende effecten dan wel impact op het pensioenperspectief, en duidelijk is door welke verschillen deze impact wordt veroorzaakt, moeten de betrokken pensioenfondsen de evenwichtigheid van de voorgenomen CWO onderbouwen (artikel 105 Pensioenwet).
Dit evenwichtigheidsoordeel heeft in beginsel betrekking op zowel de over te dragen groep pensioendeelnemers, alsook (indien relevant) voor de achterblijvende populatie en de populatie van het ontvangende pensioenfonds. Het evenwichtigheidsoordeel dient het fondsbestuur in samenspel met de overige relevante fondsorganen te vellen.
DNB beoordeelt de onderbouwing van de voorgenomen CWO. Bij de beoordeling of fondsen hebben voldaan aan de verplichting tot evenwichtige belangenafweging betrekt DNB onder meer welke doelstellingen de betrokken fondsen beogen te bewerkstelligen met de CWO.
Doorlopen stappenplan bij opvolgende CWO’s
Als een pensioenfonds voornemens is om meerdere opeenvolgende CWO’s uit te voeren, vraagt DNB om dit reeds bij de eerste voorgenomen CWO te melden en steeds bij alle daaropvolgende CWO’s. Deze werkwijze doet zich in de praktijk met name voor bij CWO’s binnen een algemeen pensioenfonds.
DNB beoordeelt in beginsel iedere CWO op zichzelf, op basis van de op dat moment voorliggende aanvraag en de daarbij aangeleverde informatie. Tegelijk beziet DNB – indien sprake is van een reeks geplande CWO’s – ook het geheel aan voorgenomen waardeoverdrachten. Achterliggende reden hiervoor is dat opeenvolgende, op zichzelf beperkte herverdelingen in samenhang kunnen leiden tot een meer materiële herverdeling.
Indien bijvoorbeeld opeenvolgende CWO’s zijn gepland waarbij vijf collectiviteitkringen zijn betrokken, beoordeelt DNB de aanvragen in volgorde waarin zij worden ingediend. Daarnaast kan DNB in dit stadium verzoeken om inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn van de daaropvolgende nog niet-aangevraagde CWO’s.
Andere CWO’s
Deze Q&A heeft uitsluitend betrekking op CWO’s tussen pensioenfondsen/collectiviteitkringen die een SPR dan wel een FPR met alleen een variabele uitkering uitvoeren. Voor fondsen die niet invaren blijven de eerdere beleidsuitingen over CWO’s onverminderd van kracht. Zie: Collectieve waardeoverdracht. Voor andere typen CWO’s is het verstandig om tijdig contact te zoeken met DNB over de benodigde onderbouwing van het CWO-besluit.