De pensioenuitvoerder legt volgens artikel 1c, tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit Pw en Wvb) vast of bescherming voor het renterisico in de solidaire premieregeling gebeurt door middel van beschermingsrendement gekoppeld aan één van deze mogelijkheden:
- de rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
- een directe beschermingsportefeuille voor renterisico.
Bij de keuze voor bescherming op basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur bepaalt artikel 1c, derde en zevende lid, Besluit Pw en Wvb dat de pensioenuitvoerder de deling van (rente)mismatchrisico per leeftijdscohort dient te onderbouwen, begrenzen, monitoren en maatregelen dient te nemen als de deling de eigen gestelde grenzen overschrijdt.
Bij de keuze voor bescherming gekoppeld aan een directe beschermingsportefeuille bepaalt artikel 1c, vierde en zevende lid, Besluit Pw en Wvb dat de pensioenuitvoerder de mate van renteafdekking en samenstelling van de beschermingsportefeuille dient te onderbouwen, monitoren en waar nodig maatregelen dient te nemen als de directe beschermingsportefeuille niet de gewenste mate van bescherming tegen renterisico per leeftijdscohort biedt.
Toelichting
Het fondsbestuur bepaalt of het beschermingsrendement voor het renterisico wordt toebedeeld op basis van wijziging van de door DNB gepubliceerde nominale rentetermijnstructuur (de DNB RTS) of rechtstreeks uit het rendement van de daarvoor bestemde beleggingen – de directe beschermingsportefeuille voor renterisico.
Kader bij beschermingsrendement op basis van DNB RTS (indirecte methode)
Artikel 1c, derde lid, Besluit Pw en Wvb bepaalt dat de pensioenuitvoerder op voorhand per leeftijdscohort een begrenzing bepaalt voor de maximaal gewenste afwijking tussen de feitelijke toedeling van rendementen op basis van de collectieve beleggingen die aangehouden worden als bescherming tegen renterisico en de toedelingsregels voor beschermingsrendement. Deze afwijking noemen wij hierna de (rentebescherming) mismatch.
Bij de indirecte methode krijgen de leeftijdscohorten een beschermingsrendement toebedeeld dat precies aansluit bij de beoogde mate van renteafdekking. In de collectieve portefeuille worden beleggingen aangehouden die bijdragen aan de bescherming tegen renterisico, waarbij de pensioenuitvoerder op voorhand onderbouwt in welke mate beleggingen bijdragen aan deze bescherming.
Dit is met name relevant voor beleggingen die zowel voor de bescherming tegen renterisico (‘risicovrije rente’ component belegging) als voor het behalen van overrendement (spreadcomponent belegging) worden aangehouden, hoog kredietwaardige in euro’s gedenomineerde staats- en bedrijfsobligaties en hypotheken. Door in deze gevallen de spreadcomponent op voorhand af te splitsen als beoogd overrendement, wordt voorkomen dat deze spreadcomponent doorwerkt in (de begrenzing van) de mismatch zodat deze zuiver en alleen ziet op het rente(mismatch)risico.
Dit kan de pensioenuitvoerder doen door vooraf (onderbouwd) een splitsing aan te brengen tussen het deel dat is bestemd voor overrendement en het deel dat is bestemd voor het beschermingsrendement. In het gerealiseerde rendement kan vervolgens ook het onderscheid gemaakt worden tussen het rendement dat onder de ‘risicovrije rente’ component valt en het rendement dat onder de spreadcomponent valt (overrendement). De gerealiseerde mismatch wordt in de indirecte methode via de toedelingsregels van het overrendement gedeeld tussen leeftijdscohorten en kan zo tot risicodeling tussen cohorten leiden.
Mogelijke oorzaken voor de mismatch zijn onder andere duration mismatch, curverisico, spreadrisico en implementatie ‘gaps’. Met spreadrisico wordt hier gedoeld op mogelijk resterend spreadrisico voor zover dat door de pensioenuitvoerder niet op voorhand is aangemerkt als beoogd overrendement.
Hoe wordt de begrenzing van deling renterisico onderbouwd?
Artikel 1c, derde lid, Besluit Pw en Wvb bepaalt dat de pensioenuitvoerder de maximale toegestane mate van deling van mismatchrisico onderbouwt met behulp van een stochastische ALM-analyse, waarin de mismatch per scenario wordt gesimuleerd. Om de mismatch per scenario te berekenen in een ALM-prognose verwacht DNB dat een pensioenuitvoerder de implementatie van de renteafdekking in de ALM-omgeving zo exact mogelijk modelleert. De pensioenuitvoerder onderbouwt eventuele vereenvoudigingen in de modellering van de ALM-omgeving. De gesimuleerde afwijking tussen het beoogde en het gerealiseerde overrendement per leeftijdscohort kan als maatstaf gebruikt worden om de mate van deling mismatchrisico inzichtelijk te maken. Hierbij worden dan alle beleggingen die bijdragen aan de bescherming tegen renterisico in beschouwing genomen en dus niet de op voorhand als overrendement afgesplitste spreadcomponenten.
Indien de ALM-analyses een onvolledig beeld geven om de begrenzing van het mismatchrisico vast te stellen kunnen aanvullende kwantitatieve analyses – in aanvulling op de ALM-analyse – worden gebruikt om deze onderbouwing te verstevigen.
Een pensioenuitvoerder kan – naast de wettelijk vereiste begrenzing van de mismatch – additionele begrenzingen hanteren voor de portefeuilleconstructie, het portefeuille(risico)management en/of de monitoring en periodieke evaluatie van de effectiviteit van de bescherming tegen renterisico.
Hoe vindt de monitoring en beheersing plaats?
De pensioenuitvoerder monitort en beheerst de inrichting van de bescherming tegen renterisico. Onderdeel daarvan is in ieder geval een jaarlijkse toets (artikel 1c, zevende lid van het Besluit Pw en Wvb) of het de gewenste mate van bescherming tegen renterisico per leeftijdscohort biedt. In deze toets worden ten minste de gekozen begrenzing(en) betrokken die voldoen aan het hierboven beschreven kader. De pensioenuitvoerder neemt maatregelen als de vastgestelde begrenzing(en) worden overschreden. Mogelijke maatregelen zijn een aanpassing van het deel van de portefeuille dat gericht is op renteafdekking of aanpassing van de toedelingsregels.
In aanvulling op deze jaarlijkse toets is de pensioenuitvoerder (onverminderd) gehouden om een beleggingscyclus vast te stellen op grond waarvan het strategisch beleggingsbeleid, het beleggingsplan en de uitvoering periodiek worden geëvalueerd en beoordeeld. Onderdeel hiervan is het monitoren – bijvoorbeeld via de beleggingen- en risicomanagementrapportages – en periodiek evalueren van het gevoerde renterisicobeleid.
Kader bij beschermingsrendement op basis van een directe beschermingsportefeuille (directe methode)
Bij de keuze voor een directe beschermingsportefeuille is er geen sprake van deling renterisico, omdat het beschermingsrendement wordt toebedeeld op basis van het rendement op de apart aangehouden portefeuille voor renteafdekking. De toedeling van beschermingsrendement op basis van de gerealiseerde renteafdekking aan de leeftijdscohorten kan echter wel afwijken van de beoogde renteafdekking. Dit kan het geval zijn als de beschermingsportefeuille een tekort (of overschot) aan rentegevoelige instrumenten heeft, een duration mismatch kent, of naast renterisico ook andere risicofactoren bevat, zoals kredietrisico, curve risico of inflatierisico.
In artikel 1c, vierde lid, Besluit uitvoering Pw en Wvb is bepaald dat bij het gebruik van een directe beschermingsportefeuille de pensioenuitvoerder op voorhand definieert wat het verstaat onder renterisico. De hierbij gehanteerde rentemaatstaf mag geen kredietrisico bevatten, oftewel de rentemaatstaf is gebaseerd op de ‘risicovrije rentetermijnstructuur’. Het toebedeelde beschermingsrendement is gelijk aan het rendement van de directe beschermingsportefeuille. Wel kan het toebedeelde beschermingsrendement afwijken van het op de rentemaatstaf beoogde rendement.
Voor een adequate beheersing van het renterisico verwacht DNB dat een pensioenuitvoerder deze afwijking per leeftijdscohort begrensd. Een pensioenuitvoerder kan – naast deze begrenzing die gericht is op het beoordelen van de effectiviteit van de bescherming tegen renterisico – additionele begrenzingen hanteren voor de portefeuilleconstructie, het portefeuille(risico)management en/of de monitoring en periodieke evaluatie van de effectiviteit van de bescherming tegen renterisico.
DNB verwacht dat fondsen vastleggen welke beleggingen in het fondsvermogen behoren tot de directe beschermingsportefeuille. Fondsen dienen daarbij kwantitatief te onderbouwen in welke mate de beleggingscategorie bijdraagt aan de bescherming van het renterisico per leeftijdscohort. De pensioenuitvoerder onderbouwt per beleggingscategorie in de beschermingsportefeuille aannames over de rentegevoeligheid in termen van de gekozen rentemaatstaf.
Hoe vindt de monitoring en beheersing plaats?
De pensioenuitvoerder monitort en beheerst de effectiviteit van de directe beschermingsportefeuille. Onderdeel daarvan is in ieder geval een jaarlijkse toets (artikel 1c, zevende lid, Besluit Pw en Wvb) of de beschermingsportefeuille de gewenste mate van bescherming tegen renterisico biedt. De pensioenuitvoerder neemt maatregelen als de hierboven besproken afwijking wordt overschreden. Een mogelijke maatregel is een aanpassing van de directe beschermingsportefeuille.
In aanvulling op deze jaarlijkse toets is de pensioenuitvoerder (onverminderd) gehouden om een beleggingscyclus vast te stellen op grond waarvan het strategisch beleggingsbeleid, het beleggingsplan en de uitvoering periodiek worden geëvalueerd en beoordeeld. Onderdeel hiervan is het monitoren – bijvoorbeeld via de beleggingen- en risicomanagementrapportages – en periodiek evalueren van het gevoerde renterisicobeleid.