Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

02 juli 2020 Algemeen
Reflectie gebouw

Ondanks een aantrekkende economie en een verkrappende arbeidsmarkt is de brutoloonstijging tussen 2014 en 2018 achtergebleven bij de cao-loongroei over die jaren. De instroom van jonge werknemers en flexwerkers in die periode heeft dit mede veroorzaakt, zo blijkt uit gezamenlijk onderzoek van DNB en CPB. Ook is het waarschijnlijk dat individuele beloningscomponenten, zoals extra periodieken, bonussen en promoties, lager waren dan voorheen.

Incidentele loongroei negatief

Door cao-afspraken groeit de beloning van werknemers gebruikelijk ieder jaar met een klein percentage. Voor veel werknemers stijgen de brutolonen harder dan de afgesproken cao-loongroei door bijvoorbeeld een extra periodiek, een promotie of een bonus. In de macrostatistieken bleef de groei van de brutolonen de afgelopen jaren echter achter bij de cao-loongroei. Tussen 2014 en 2018 was de groei van de brutolonen jaarlijks gemiddeld 0,5 procentpunt lager dan de cao-loongroei. Dat is opmerkelijk, omdat tijdens eerdere perioden van toenemende krapte op de arbeidsmarkt de brutolonen doorgaans juist harder stegen dan de cao-lonen.

Het verschil tussen bruto-loongroei en cao-loongroei is de bijdrage van het incidentele loon, kortweg de incidentele loongroei. Op macroniveau kan deze worden uitgesplitst in twee componenten: (i) additionele en/of resultaatafhankelijke individuele beloningen op microniveau en (ii) samenstellingseffecten op macroniveau. Met een nieuwe dataset en via verschillende decompositie-analyses is de recente ontwikkeling van de incidentele loongroei door CPB en DNB onder de loep genomen.

Sterke werkgelegenheidsgroei jongeren en flexbanen

Veranderingen in de samenstelling van de werkgelegenheid op macroniveau komen tot uiting in de incidentele loongroei. In de praktijk is dit effect vaak anticyclisch: tijdens een recessie verliezen vooral de lager betaalde werknemers (jongeren, flexwerkers, laagopgeleiden) hun baan, terwijl duurdere arbeidskrachten hun baan behouden. Het aandeel laagbetaalde werknemers neemt dan af, waardoor het gemiddelde loonniveau toeneemt. Dit leidt tot een positieve bijdrage van het samenstellingseffect aan de (incidentele) loongroei.

In de CPB/DNB-studie wordt dit samenstellingseffect op twee verschillende manieren berekend. Door te kijken naar kenmerken van werknemers en banen wordt een negatief samenstellingseffect gevonden, naar schatting gemiddeld -0,2 procentpunt per jaar tussen 2014 en 2018. Vooral de toename van jonge werknemers en flexbanen heeft de loongroei in recente jaren gedrukt (Figuur 1). Ook valt op dat het positieve samenstellingseffect van het opleidingsniveau is afgenomen, ondanks de trendmatige stijging van het gemiddelde opleidingsniveau en de hogere lonen van hoogopgeleiden. Een voor de hand liggende verklaring is dat tijdens hoogconjunctuur de instroom van laagopgeleiden, met een gemiddeld laag uurloon, groter is dan van hoogopgeleiden. Ook de andere decompositie-analyse, waar expliciet wordt gekeken naar de ontwikkeling van nieuwe banen en bestaande banen, vindt een negatief samenstellingseffect van gemiddeld -0,3 procentpunt per jaar.

Figuur 1 Samenstellingseffect naar achtergrondkenmerken
Procentpunten

Figuur 1 Samenstellingseffect

Werkgevers minder royaal met individuele incidentele beloning?

Samenstellingseffecten vertellen echter slechts een deel van het verhaal. Immers, naar schatting was het samenstellingseffect tussen 2014 en 2018 zo’n -0,2 à -0,3 procentpunt per jaar, terwijl de totale incidentele loongroei in deze periode jaarlijks gemiddeld -0,5 procentpunt bedroeg. Dit impliceert dat ook incidentele beloningen op individueel niveau negatief hebben bijgedragen aan de incidentele loongroei. Dit is verrassend, omdat in eerdere perioden van een verkrappende arbeidsmarkt (1996-2001 en 2005-2008) de totale incidentele loonstijging juist positief was. Dit is een sterk signaal dat in de afgelopen jaren extra periodieken, promoties en bonussen lager of minder gangbaar waren dan in het verleden.

Raming

De raming van DNB uit juni 2020 voorziet een diepe economische crisis als gevolg van de Covid-19-pandemie. Naar verwachting daalt het bruto binnenlands product (bbp) in Nederland dit jaar met 6,4%. De werkloosheid loopt op tot 7,3% in 2021. De crisis zet ook de loonontwikkeling onder druk. Hoewel de cao-loongroei voor dit jaar al grotendeels vastligt en naar verwachting uitkomt op 2,3%, daalt de cao-loongroei in de raming naar 1,0% in 2021. Het baanverlies resulteert naar verwachting in een positief samenstellingseffect, omdat juist jonge laagbetaalde flexwerkers in eerste instantie hun baan zullen verliezen. Daarnaast wordt in de raming verondersteld dat werkgevers hun loonkosten proberen te matigen door minder individuele incidentele beloningen uit te delen. Dit laatste effect domineert in de raming, waardoor per saldo de incidentele loongroei zowel in 2020 als 2021 naar verwachting negatief is.

Voor uitgebreidere resultaten zie het vandaag verschenen artikel op de website van ESB en het Achtergronddocument op de website van CPB.