Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

23 juni 2021 Toezicht Toezichtlabel Q&A
Op 1 maart 2021 heeft de European Banking Authority (EBA) de finale herziene richtsnoeren omtrent risicofactoren voor witwassen en terrorismefinanciering (ML/TF) gepubliceerd. In de richtsnoeren zijn nieuwe ML/TF-risico’s opgenomen. Op basis van deze richtsnoeren is deze Q&A aangepast.

Vraag:

Voeren betaalinitiatiedienstverleners (Payment Initiation Service Providers (hierna: PISP’s)) transactiemonitoring uit?

Antwoord:

Voor PISP’s geldt dat zij transacties van haar cliënten1 ingevolge artikel 3 lid 2 sub d Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten monitoren om te voorkomen dat hun diensten worden gebruikt voor witwassen of het financieren van terrorisme. Het is belangrijk dat zij adequaat transacties monitoren, ondanks dat achterliggende betalingsdienstaanbieders (zoals banken) deze verplichting ook hebben.

De Wet op het financieel toezicht (Wft) definieert ‘Betaalinitiatiedienst’ als volgt:

“een dienst voor het initiëren van een betalingsopdracht, op verzoek van de betalingsdienstgebruiker, met betrekking tot een betaalrekening die bij een andere betalingsdienstaanbieder wordt aangehouden”.

Op grond van artikel 1a lid 1 Wwft vallen deze dienstverleners onder de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). DNB kwalificeert de inherente risico’s op witwassen en terrorismefinanciering van deze specifieke dienstverlener als ‘laag’. Een PISP voert namelijk niet zelf de transactie uit en houdt geen gelden van de gebruiker aan. Dit type betaalinstelling hoeft hierdoor minder vergaande maatregelen te treffen in het kader van cliëntenonderzoek en transactiemonitoring dan instellingen met een verhoogd risico.

Indien de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering door DNB worden gekwalificeerd als ‘laag’, dan kan transactiemonitoring op risicogebaseerde wijze worden uitgevoerd door de dienstverlener. Een PISP voert minimaal periodieke (post-event) controles uit op de uitgevoerde initiaties. Bij die controles zal ten minste rekening gehouden worden met de volgende risicofactoren:

  • Gelden die verstuurd worden vanuit verschillende betaalrekeningen naar eenzelfde begunstigde waarbij deze gelden samen een hoog bedrag vormen zonder een duidelijke economische ratio.
  • Gelden die verstuurd worden vanuit verschillende betaalrekeningen naar eenzelfde begunstigde waarbij de PISP een vermoeden heeft dat specifieke monitoringsdrempels worden ontweken.
  • Initiaties voor betalingen naar landen met een hoog risico of naar een persoon gerelateerd aan deze landen.
  • Andere risicofactoren die in aanvulling hierop relevant kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld afwijkende bedragen van het transactiepatroon, frequentie en volume van initiaties en onvoldoende economische rationaal voor een specifieke transactie.

Reden transactiemonitoring PISP’s

Een betaalinstelling heeft, net als een bank, een poortwachtersfunctie en een eigen verantwoordelijkheid voor het monitoren van haar transacties. Een bank heeft bovendien alleen zicht op transacties die lopen over rekeningen van de individuele betaaldienstverleners. Een PISP heeft in sommige gevallen zicht op het collectief aan transacties dat wordt verricht met bijvoorbeeld tussenkomst van meerdere Account Servicing Payment Service Providers (hierna: ASPSP’s), waardoor zij een overkoepelend beeld over meerdere ASPSP’s kan hebben. Hierdoor heeft de PISP ten aanzien van sommige transacties een beter inzicht of er sprake is van een ongebruikelijke transactie op het gebied van witwassen of terrorismefinanciering dan dat één enkele ASPSP heeft. Wanneer een dergelijke ongebruikelijke transactie door de PISP wordt vastgesteld wordt deze onverwijld gemeld aan de FIU-NL.

Risico verlagende factoren

Zoals hierboven aangegeven kan transactiemonitoring risicogebaseerd plaatsvinden. Hierbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van peer groups van vergelijkbare cliënten. Het transactiegedrag van individuele cliënten kan hiermee ten opzichte van hun peers worden vergeleken. Tevens kan sprake zijn van een verlaagde frequentie en/of intensiteit van transactiemonitoring bij (groepen van) cliënten met een laag risico. Een ander risicoverlagende factor is dat de klant betalingen initieert naar een land binnen de Europese Economische Ruimte (EER) of een derde land waarin de anti-money laundering en combating the financing of terrorism (AML/CFT-)vereisten niet minder robuust zijn dan in Nederland. Voor meer informatie over transactiemonitoring verwijzen wij naar onze guidance ‘Post-event transactiemonitoring bij betaaldienstverleners’.

Buitenlandse Betaalinitiatiedienstverleners

Voor buitenlandse instellingen die grensoverschrijdend diensten verlenen in Nederland, en dus direct en niet via een bijkantoor of agentschap grensoverschrijdend actief zijn in Nederland, is de anti-witwasregelgeving van de lidstaat van herkomst van toepassing. Deze instellingen vallen niet onder de Wwft.

Conclusie

PISP’s dienen in gevolge artikel 3 lid 2 sub d Wwft de geïnitieerde transacties te monitoren op ongebruikelijke kenmerken. Transactiemonitoring dient steeds risico-gebaseerd plaats te vinden. Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat hoe meer risicofactoren van toepassing zijn, hoe intensiever de monitoring dient plaats te vinden. Daarentegen geldt ook dat hoe minder risicofactoren van toepassing zijn, hoe minder intensieve monitoring mogelijk is.

1: Hier worden ‘cliënten’ in de zin van artikel 1 lid 1 Wwft bedoeld, zijnde natuurlijke personen of rechtspersonen met wie een zakelijke relatie wordt aangegaan of die een transactie laten uitvoeren.