Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

20 november 2017 Algemeen
Entree van het Toorop-gebouw

De voorspelfouten van ramingen voor de Nederlandse economie zijn aanzienlijk. Een onderliggende reden hiervoor is dat de cycliciteit van de economie onderschat wordt. De ramingen zijn gemiddeld genomen namelijk te optimistisch in de neergaande fase van de conjunctuur en te pessimistisch in de opgaande fase. Dit heeft zowel een statistische als economische oorzaak.

Trefzekerheid van ramingen voor de Nederlandse economie

Uit een vandaag verschenen artikel in Economische Statistische Berichten over de trefzekerheid van ramingen voor de Nederlandse economie blijkt dat de voorspelfouten van de ramingen aanzienlijk zijn. De trefzekerheid is voor acht instanties beoordeeld aan de hand van het absolute verschil tussen de voorspelling en de definitieve CBS-realisatie. Figuur 1 bevat de gemiddelde absolute voorspelfout van ramingen voor de economische groei over het tijdvak 1998-2015. De gemiddelde voorspelfout van alle beschouwde instanties loopt op van 0,6 procentpunt voor ramingen gemaakt in december voor het lopende jaar tot 1,6 procentpunt voor ramingen gemaakt in juni voor het komende jaar. Onderliggend zijn de verschillen tussen de instanties relatief klein. Zo bedraagt het verschil tussen de instantie met de hoogste en de laagste voorspelfout over het algemeen niet meer dan 0,2 procentpunt.

Grafiek 1 - Gemiddelde absolute voorspelfout bbp-groei (1998-2015)
Toelichting: iedere ramingsronde bevat de gemiddelde voorspelfout van de acht beschouwde instanties (stip) en voor de voorspelfout van de instantie met de hoogste en die met de laagste voorspelfout (strepen)

Grafiek 1 - Gemiddelde absolute voorspelfout bbp-groei

Voorspelfouten over de conjunctuur

Een onderliggende reden voor de aanzienlijke voorspelfouten die instanties maken bij het opstellen van ramingen, is het onderschatten van de cycliciteit van de economie. Voor de ramingen van de bbp-groei van alle instanties blijkt namelijk dat de trefzekerheid samenhangt met golfbewegingen van de conjunctuur. Figuur 2 bevat, voor de december ramingen van het komende jaar, de gemiddelde voorspelfout uitgesplitst naar de neergaande en opgaande fase van de conjunctuur. Gemiddeld is de bbp-groei in de neergaande fase overschat met 1,3 procentpunt en in de opgaande fase is de bbp-groei gemiddeld onderschat met 0,9 procentpunt. Dit heeft niet alleen te maken met het niet goed timen van omslagpunten in de conjunctuur, de voorspelfouten zijn nagenoeg altijd negatief (positief) tijdens een opgaande (neergaande) conjunctuur. De amplitude van de conjunctuurcyclus wordt dus onderschat.

Grafiek 2 - Gemiddelde voorspelfouten (bbp-groei) tijdens op- en neergaande conjunctuur (1998-2015)
Komend jaar december

Grafiek 2 - Gemiddelde voorspelfouten (bbp-groei) tijdens op- en neergaande conjunctuur

(.) = het aantal instanties waarover het gemiddelde is berekend

Oorzaken voor onderschatten cycliciteit

Het systematisch onderschatten van de cycliciteit van de economie heeft twee belangrijke oorzaken. Een is statistisch van aard, de ander economisch.

Een belangrijke statistische bijdrage aan de onderschatting tijdens een opgaande conjunctuur komt van de bijstellingen van de Nationale Rekeningen in de beschouwde periode. Het CBS publiceert een vijftal realisatiecijfers van de bbp-groei. Het cijfer dat als eerste uitkomt, is de zogenaamde flashraming. Het definitieve cijfer komt tweeënhalf jaar later uit. Tussen 2000 en 2015 is de flash in een opgaande conjunctuur opwaarts bijgesteld met gemiddeld 0,5 procentpunt, terwijl in een neergaande conjunctuur de flash min of meer gelijk was aan het definitieve cijfer. Omdat voorspellers voor de meest recente informatie afhankelijk zijn van de flash, draagt een te lage inschatting van de flash bij aan een onderschatting van de bbp-groei tijdens een opgaande conjunctuur. Als de ramingen tegen de flash worden afgezet, is er nagenoeg geen sprake meer van onderschatting bij een opgaande conjunctuur, terwijl de overschatting tijdens een neergaande conjunctuur relatief sterk blijft (zie Figuur 2).

De economische reden voor overschatting in de neergaande fase hangt waarschijnlijk samen met de relatief grote en lastig in te schatten onzekerheid in deze fase. Uit de literatuur komt naar voren dat de neergang van de conjunctuur mede wordt veroorzaakt door toenemende onzekerheid. Een veelgenoemde reden waarom ramingsmodellen minder presteren in deze fase is het onvolkomen modelleren van vertrouwensinvloeden. Het consumentenvertrouwen wordt bijvoorbeeld door DNB vanaf december 2014 expliciet meegenomen in de voorspellingen van de consumptie en de huizenmarkt. De resultaten suggereren dat de gemiddelde voorspelfouten voor de bbp-groei voor de acht beschouwde instanties groter zijn in tijden wanneer er meer financiële stress (een proxy voor onzekerheid) is. Daarnaast worden de voorspelfouten kleiner als het consumentenvertrouwen stijgt.

Al met al suggereert dit dat het onvolkomen modelleren van onzekerheid en/of vertrouwensindicatoren een onderliggende bron is voor het overschatten van de bbp-groei in de neergaande fase van de conjunctuur. Nader onderzoek moet uitwijzen hoe deze kennis benut kan worden om de trefzekerheid te vergroten.