Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

10 juni 2020 Algemeen
Klaas Knot

(c) DNB

Wat zijn de gevolgen van de coronacrisis voor de financiële sector? En hoe kunnen we de schade voor de economie – en daarmee ook voor de financiële sector – zoveel mogelijk beperken – op korte termijn en ook op de langere termijn? Twee vragen waar Klaas Knot op ingaat tijdens het Openbaar gesprek in de Tweede Kamer met DNB, CPB en AFM over macro‐economische risico’s voor het financiële stelsel.

Datum: 10 juni 2020
Locatie: Openbaar gesprek in de Tweede Kamer met DNB, CPB en AFM over macro‐economische risico’s voor het financiële stelsel.
Spreker: Klaas Knot tijdens het

Dank voor de uitnodiging. Graag bespreek ik – samen met mijn collega’s van het CPB en de AFM – met u de belangrijkste macro-economische risico’s voor het financiële stelsel. Ik doe dat vooral op basis van het Overzicht Financiële Stabiliteit (OFS), dat u is toegezonden.

Centraal in het OFS staan – uiteraard – de gevolgen van de coronacrisis voor de financiële sector. We zitten middenin een zware economische crisis, en het is onvermijdelijk dat ook de financiële sector daardoor wordt geraakt. Over de aard van deze crisis en over de rol van de financiële sector daarin wil ik graag een paar dingen zeggen.

Deze crisis wordt gekenmerkt door zeer grote onzekerheden. De oorzaak van deze crisis ligt in de medische sfeer, en dat maakt deze crisis anders dan eerdere crises die we hebben meegemaakt. Zolang het virus niet onder controle is, weten we niet hoe groot de economische schade zal zijn. En daardoor kunnen we ook maar beperkt gebruik maken van onze ervaringen uit eerdere crises.

Die grote onzekerheid zie je terug in de ramingen voor de Nederlandse economie die DNB afgelopen maandag publiceerde. Vanwege de grote onzekerheid zijn naast de centrale raming ook twee scenario’s opgesteld, mild en zwaar. In de centrale raming voor 2020 krimpt het bbp met 6,4%, bijna twee keer zo hard als in 2009, tijdens de kredietcrisis. In 2021 en 2022 volgt enig herstel, maar het bbp blijft onder het niveau van vlak voor de coronacrisis. In de twee scenario’s varieert de krimp van het bbp in 2020 van 3,4% in het milde scenario tot 11,8% in het zware scenario. Op dat laatste scenario kom ik zo dadelijk terug bij de pandemiestresstest.

De bandbreedte rond de raming is dus uitzonderlijk groot. Dit heeft te maken met de onzekerheid over de ontwikkeling van de pandemie en het open karakter van de Nederlandse economie. Hierdoor zijn het verloop van de recessie en dus ook het herstel sterk afhankelijk van ontwikkelingen in het buitenland. En dat is weer sterk afhankelijk van hoe hard andere landen worden getroffen en hoe snel ze herstellen.

Sinds het uitbreken van de crisis hebben centrale banken, overheden en toezichthouders op zeer grote schaal maatregelen genomen om de economische schade zoveel mogelijk te beperken. Een aanzienlijk deel van die maatregelen draagt direct of indirect bij aan het beperken van de risico’s voor de financiële sector. Denk aan de verruiming van de garantieregelingen voor bedrijfskredieten, maar ook aan de directe financiële steun aan bedrijven en hun werknemers.

Dat brengt mij op de rol van de financiële sector in deze crisis. De financiële sector kan een belangrijke rol spelen bij het beperken van de economische schade door krediet te blijven verstrekken aan solvabele bedrijven en huishoudens en het herstel te financieren. Dat is een belangrijk verschil met de kredietcrisis, toen de oorzaak van de crisis in de financiële sector zelf lag, wat de economische schade juist vergrootte.

Centrale banken en toezichthouders hebben een omvangrijk pakket aan maatregelen ingezet om te zorgen dat het financiële stelsel goed kan blijven functioneren. Zo biedt het Eurosysteem goedkope en langlopende herfinanciering aan banken en besloot de Governing Council vorige week om het pandemie-aankoopprogramma PEPP uit te breiden en te verlengen. Deze uitbreiding is ingegeven door de sterk negatieve vooruitzichten voor groei en inflatie. Het programma ondersteunt de financieringscondities voor huishoudens, bedrijven en overheden, en helpt zo permanente economische schade te voorkomen.

DNB zelf heeft de buffereisen voor de systeembanken tijdelijk verlaagd en de invoering van hogere kapitaaleisen voor hypotheken uitgesteld. Ook het SSM heeft enkele kapitaaleisen verlaagd en banken expliciet toestemming gegeven om in te teren op hun buffers. Met het kapitaal dat hierdoor vrijkomt, kunnen banken de kredietverlening aan bedrijven en huishoudens op peil houden.

Daarnaast hebben DNB en andere toezichthouders banken – en ook verzekeraars – aangeraden om voorlopig geen dividend uit te keren of eigen aandelen in te kopen. Banken en verzekeraars hebben hier gehoor aan gegeven, om zo hun buffers zoveel mogelijk vast te houden. 

Hoe staat de financiële sector ervoor?

Banken worden zonder meer geraakt. Ze hebben onlangs bekend gemaakt hoge voorzieningen te moeten treffen voor verwachte kredietverliezen, wat we ook terugzien in de scherpe daling van hun aandelenkoersen. Maar Nederlandse banken kunnen gelukkig wel tegen een stootje, mede dankzij de strengere regels die na de kredietcrisis zijn doorgevoerd en de buffers die ze hebben moeten opbouwen. Buffers voorafgaand aan deze crisis zijn bijna twee keer zo hoog als voor de kredietcrisis. Hierdoor zijn banken beter in staat om kredietverlening op peil te houden. Ze hebben inmiddels aan een groot aantal bedrijven en huishoudens uitstel van betaling verleend en nieuwe leningen verstrekt, waarvan een deel met overheidsgarantie.

Naarmate het economisch herstel langer uitblijft, nemen de gevolgen voor banken toe, en wordt het moeilijker om de kredietverlening op peil te houden. Een pandemiestresstest van DNB laat dat zien. In het zware stresstestscenario krimpt onze economie in 2020 dus met 11,8% en treedt in 2021 en 2022 enig economisch herstel op. In dat scenario kunnen de kredietverliezen van Nederlandse banken oplopen tot EUR 23 miljard in 2022, en dalen de kernkapitaalratio’s gemiddeld met 5,5%-punt. En dat moet u dan afzetten tegen een ratio van 16,5% in de uitgangssituatie. Dit scenario is iets zwaarder dan wat bijvoorbeeld de Bank of England en de Riksbank hebben doorgerekend, dat kunt u in grafiek 38 van ons OFS zien. Dit scenario leidt dus tot een afname van kapitaalratio’s met ongeveer een derde in 2022. Het goede nieuws is dat de relatief hoge kapitaalratio’s banken in staat stellen dergelijke verliezen op te vangen zonder noemenswaardige gevolgen voor de kredietverlening.

Maar er zitten wel grenzen aan wat banken kunnen absorberen. Om dat te illustreren hebben we ook een nog zwaarder, zogenoemd perfect storm scenario doorgerekend. Hierbij is verondersteld dat het economisch herstel - mede door geregeld weer opspelende Corona lockdowns - pas in 2022 zou optreden, en de groei ook in 2021 nog fors negatief is. In dat uiterst sombere scenario zouden kredietverliezen kunnen oplopen tot EUR 39 miljard. Echter, in dat geval ontkomen banken er niet aan om hun kredietverlening terug te schroeven om verliezen te beperken en te voorkomen dat hun kapitaalratio’s oncomfortabel dicht bij de wettelijke minimumeisen komen. Dat zou het economisch herstel vervolgens nog verder bemoeilijken. Let wel, dit is dus bepaald niet wat we verwachten, maar een illustratie van een zelfversterkend mechanisme als economisch herstel onverhoopt nog een vol jaar langer zou uitblijven.

Voor verzekeraars en pensioenfondsen geldt dat hun buffers voor Corona eigenlijk al laag waren, onder andere door de lage rente. De kwetsbaarheden in deze sectoren zijn verder toegenomen, vooral doordat de waarde van hun beleggingen is gedaald. De problemen zijn het grootst bij pensioenfondsen, waar de dekkingsgraden fors zijn gedaald in de afgelopen maanden. Verzekeraars worden geholpen door het Europese toezichtkader Solvency II.

Financiële markten, ten slotte, zijn door maatregelen van centrale banken en overheden gekalmeerd, maar het sentiment blijft wankel door de ongekende onzekerheid. Markten lijken optimistisch over de snelheid waarmee het virus onder controle zal zijn en rekenen op de aanhoudende steun van overheden en centrale banken. Hier zit dus een zeker optimisme ingebakken, en bij tegenvallend nieuws kan het sentiment dan ook weer omslaan, en zijn hernieuwde koersdalingen niet uitgesloten.

Wat betekent dat voor beleid?

Hoe kunnen we de schade voor de economie – en daarmee ook voor de financiële sector – zoveel mogelijk beperken – op korte termijn en ook op de langere termijn?

Het is natuurlijk vooral belangrijk om het virus onder controle te houden. Dat draagt ook bij aan het beperken van de economische schade. Eventuele nieuwe lockdowns zouden grote economische impact hebben.

Bij een zware externe schok als deze is de overheid de aangewezen partij om een groot deel van de schok op te vangen. Dit gaat onvermijdelijk gepaard met een forse stijging van de staatsschuld, waardoor deze uitzonderlijke lasten over meerdere generaties kunnen worden uitgesmeerd. Gelukkig kan de Nederlandse economie zich een hogere overheidsschuld permitteren omdat in goede tijden buffers zijn opgebouwd. In deze omstandigheden zou het onverstandig zijn om als overheid de hand op de knip te houden of om na de crisis te snel te consolideren.

Het beperken van de economische schade betekent ook dat we moeten zorgen dat de financiële sector gezond blijft. Als de economische crisis uiteindelijk zou leiden tot een financiële crisis, dan zijn we veel verder van huis. Dat moeten we echt zien te voorkomen.

We moeten banken dus niet overvragen. Kredietverlening op peil houden is belangrijk, maar als dit er op den duur toe leidt dat banken zelf in de problemen komen, dan schiet het zijn doel voorbij.

Dat is in de eerste plaats de taak van banken zelf: banken moeten goede risico-inschattingen blijven maken, en waar mogelijk gebruik maken van de overheidsgaranties op bedrijfsleningen. Dit betekent ook dat het belangrijk is dat banken in ieder geval een deel van het risico op de balans moeten hebben: skin in the game, noemen we dit. Ook het toezicht van DNB en het SSM is erop gericht om te zorgen dat banken gezond blijven.

Ook de overheid kan hier desgewenst nog een extra impuls verzorgen. Garantieregelingen kunnen worden versterkt door dekkingspercentages te verhogen, zoals onlangs ook is gedaan bij de kleine kredieten regeling. En door de uitvoering ervan te vergemakkelijken, zodat kredieten sneller kunnen worden verleend. Alleen wanneer de verliezen dusdanig gaan oplopen dat de kredietverlening in het geding komt, zou ook directe steun aan banken kunnen worden overwogen, zoals garanties op hun eigen financiering of directe kapitaalsteun.

Ik gaf eerder al aan dat het herstel in Nederland sterk afhankelijk is van hoe het in andere landen gaat. Met name de verwevenheid met Europese landen is groot. Dat geldt voor de economie, maar ook voor de financiële sector. Nederland is dus gebaat bij een krachtige Europese aanpak van deze crisis. En daar hoort ook een passend crisisinstrumentarium bij om de nodige financiële steun te verlenen. Hoe dat instrumentarium er precies uit moet zien, is vooral een politieke keuze. Maar het is belangrijk dat het er komt, omdat het bijdraagt aan de economische en financiële stabiliteit, ook in Nederland.

Hiermee wil ik graag mijn inleiding afsluiten. Ik ben graag bereid uw vragen te beantwoorden.