Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

24 mei 2011 Toezicht

Toezicht

Vraag:

Hoe kunnen pensioenfondsen omgaan met liquiditeitsrisico’s uit hoofde van derivatenposities?

Antwoord:

Derivatenposities kunnen liquiditeitsrisico’s voor pensioenfondsen met zich meebrengen. Derivaten zoals swaps, futures en forwards worden door veel fondsen onder meer gebruikt ter afdekking van risico’s. Zo maken veel pensioenfondsen gebruik van renteswaps voor het verkleinen van het renterisico op de balans. Indien de waarde van een dergelijke positie daalt, is een fonds vaak verplicht om onderpand te leveren aan de tegenpartij. Daardoor kan een liquiditeitsbehoefte ontstaan en is er sprake van liquiditeitsrisico voor het pensioenfonds. Het is daarom belangrijk dat pensioenfondsen bij het aangaan van derivatenposities ex ante rekening houden met liquiditeitsrisico’s. Ook de EMIR-vereisten spelen hierbij een rol en kunnen leiden tot veranderingen.

Pensioenfondsen zijn zelf verantwoordelijk voor de invulling van het beleggingsbeleid en het risicobeheer. De regelgeving dienaangaande vereist dat sprake is van een beheerste en integere bedrijfsvoering en dat het beleggingsbeleid wordt ingevuld volgens het prudent person principe. Dit betekent onder andere dat waarden op zodanige wijze worden belegd dat de liquiditeit van de portefeuille als geheel is gewaarborgd.[1] Liquiditeitsrisico’s dienen vanuit een balansintegrale benadering te worden mee gewogen in beleidsbeslissingen en de implementatie daarvan. Een pensioenfonds dient zorg te dragen voor een adequaat liquiditeitsbeheer binnen de organisatie en uitvoeringsorganisatie, zodat gewaarborgd is dat het over voldoende liquide stukken beschikt om aan eventuele onderpandvereisten te kunnen voldoen.

Daartoe kan een fonds bijvoorbeeld periodieke stresstests uitvoeren om te inventariseren of er in slecht weer scenario’s voldoende liquide middelen of ander onderpand beschikbaar zijn. Verder kan een pensioenfonds op voorhand inventariseren welke aanvullende maatregelen het fonds kan nemen om aan de toekomstige liquiditeitsbehoefte te kunnen voldoen. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verminderen van securities lending of het aankopen van liquide en als onderpand gekwalificeerde beleggingen. Deze maatregelen moeten uiteraard wel passen binnen de financiële opzet van het fonds. Hierbij dienen fondsen rekening te houden met de wettelijke eis dat het strategische risicoprofiel (VEV) in een tekortsituatie niet mag worden verhoogd. Binnen de huidige standaardmethode voor de berekening van het VEV wordt voor liquiditeitsrisico geen opslag berekend. Dat laat onverlet dat als het standaardmodel resultaten oplevert die substantieel afwijken van het werkelijke risicoprofiel, het pensioenfonds in contact zal moeten treden met DNB over te nemen maatregelen [2].
_______
[1] Zie art. 13.1 van besluit FTK: “De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd.”
[2] (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling: artikel 26). Het gebruik van een intern model voor de bepaling van het vereist eigen vermogen uit hoofde van liquiditeitsrisico kan als potentiële maatregel worden getroffen.