Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

13 oktober 2016 Toezicht

Toezicht

In artikel 52a Pensioenwet en artikel 63a van de WVB zijn diverse regels opgenomen voor het beheer van de beleggingen van premieovereenkomsten zonder beleggingsvrijheid en variabele uitkeringen door de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder kan een pensioenfonds zijn of een verzekeraar of een PPI. Dit factsheet geeft een overzicht van de regels die gelden voor premieregelingen zonder beleggingsvrijheid.

Welke premieregelingen vallen onder artikel 52a Pensioenwet en artikel 63a van de WVB?

  • Deze regels gelden onder meer voor premieregelingen zonder beleggingsvrijheid in de opbouwfase. Het gaat hierbij om premieregelingen waarin de deelnemer beleggingsrisico loopt en waarin de deelnemer of gewezen deelnemer (hierna: de deelnemer) zelf geen keuze kan maken uit beleggingsmogelijkheden. Er wordt een uniform beleggingsprofiel gehanteerd.
  • De pensioenuitvoerder is in dat geval volledig verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering van het beleggingsbeleid. Dat betekent overigens niet dat voor alle deelnemers dezelfde beleggingsmix wordt aangehouden. Op grond van het life-cycle beginsel wordt voor de deelnemer een beleggingsmix gevoerd die gerelateerd is aan de leeftijd van de deelnemer (dat wordt hieronder nader toegelicht). De deelnemer of gewezen deelnemer (hierna: de deelnemer) kan echter niet kiezen voor een ander beleggingsprofiel of een andere beleggingsmix.
  • Bij een premieregeling wordt primair een afspraak gemaakt over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie. In een zuivere premieregeling worden de voor de deelnemer ingelegde premies belegd en wordt het belegd vermogen uiterlijk op de pensioendatum omgezet in (een aanspraak op) pensioenuitkeringen. Dit betekent dat gedurende de opbouwbase in ieder geval het beleggingsrisico bij de deelnemer ligt.

Prudent person en zorgplicht

  • In artikel 52a Pensioenwet en artikel 63a van de WVB zijn diverse regels opgenomen voor het beheer van de beleggingen van premieovereenkomsten zonder beleggingsvrijheid en variabele uitkeringen door de pensioenuitvoerder. Zo is bepaald dat de pensioenuitvoerder bij het beheer van de beleggingen handelt overeenkomstig de prudent person regel in artikel 135 van de Pensioenwet. In artikel 14a, 14b en artikel 14d van het Besluit Uitvoering Pensioenwet is dit uitgangspunt nader uitgewerkt voor premieregelingen en variabele uitkeringen. Zo zijn er net als voor uitkeringsregelingen voorschriften dat hoofdzakelijk op gereglementeerde markten moet worden belegd en dat sprake moet zijn van voldoende diversificatie en liquiditeit. Ook zijn er bijvoorbeeld voorschriften ten aanzien van de onderbouwing en vastlegging van het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan. En er geldt dat het beleggingsbeleid moet worden afgestemd op de risicohouding van de groep deelnemers in de regeling Zie ook: toepassen prudent person regel voor premieregelingen en variabel pensioen.
  • Tot slot is bepaald dat de pensioenuitvoerder bij de uitvoering van een premieregeling zonder beleggingsvrijheid handelt in het belang van de deelnemer (algemene zorgplicht).

Risicohouding

  • Voor premieregelingen zonder beleggingsvrijheid dient de pensioenuitvoerder de risicohouding vast te stellen en periodiek aan te tonen dat het gevoerde beleggingsbeleid past bij de vastgestelde risicohouding voor de deelnemers in de regeling. De risicohouding is de mate waarin een groep deelnemers beleggingsrisico kan en wil nemen met betrekking tot de hoogte en de variabiliteit van het pensioen dat op pensioendatum kan worden ingekocht. Een pensioenfonds stelt de risicohouding vast in overleg met de fondsorganen en sociale partners. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen hebben een inspanningsverplichting om bij de betrokken deelnemers zoveel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over hun doelstellingen en risicohouding. Voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen geldt overigens overgangsrecht: tot 1 januari 2018 hoeven zij nog geen risicohouding vast te stellen. Zie ook: risicohouding.

Life-cycle beginsel

  • Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid houdt de pensioenuitvoerder rekening met de leeftijd van de deelnemer. Dit houdt in dat de uitvoerder het beleggingsrisico afbouwt naarmate de pensioendatum nadert. Dit wordt het life-cycle beginsel genoemd. Hierdoor wordt het risico in de hoogte van de pensioenuitkering die de deelnemer kan financieren met het belegd vermogen beperkt naarmate hij dichter bij zijn pensioen komt. De pensioenuitvoerder kan de deelnemer – onder voorwaarden - ook op een andere wijze effectieve bescherming bieden tegen beleggingsrisico’s (onder meer het zakelijkewaardenrisico en het renterisico) in de periode voorafgaand aan de pensioendatum. Indien deze andere wijze naar het oordeel van DNB niet aan de doelstellingen voldoet, kan DNB de uitvoerder verplichten over te gaan op leeftijdsgerelateerde afbouw van beleggingsrisico. Zie hiervoor ook overgangsrecht voor bestaande regelingen in artikel 55 van het Besluit Uitvoering Pensioenwet.
  • Indien de deelnemer een voorkeur kenbaar maakt voor een vaste dan wel een variabele uitkering na pensioendatum, houdt de uitvoerder bij de uitvoering van het beleggingsbeleid en de toepassing van het life-cycle beginsel hiermee rekening. Bij een voorkeur voor een vaste uitkering zal de uitvoerder het beleggingsrisico sterker afbouwen of de deelnemer wellicht op een andere wijze meer bescherming bieden tegen beleggingsrisico’s (inclusief renterisico) in de periode vlak voor de pensioendatum dan bij een voorkeur voor een variabele uitkering. Hiermee wordt beoogd dat het beleggingsrisico aan het einde van de opbouwfase zo goed mogelijk aansluit bij het beleggingsrisico bij aanvang van de uitkeringsfase.
  • De uitvoerder bevraagt de deelnemer over zijn voorkeur voordat dit voor het beleggingsbeleid relevant is, d.w.z. voordat de toegepaste life-cycles of alternatieve beschermingsmechanismen voor een vaste dan wel een variabele uitkering uiteen gaan lopen. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer relevante informatie over de gevolgen en de risico’s.
    De uitvoering van het beleggingsbeleid wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde uitkering tenzij gebleken is dat de deelnemer een voorkeur heeft voor een variabele uitkering of toetreedt tot een toedelingskring waarbinnen het beleggingsrisico collectief wordt gedeeld (zoals bedoeld in artikel 63b, vijfde lid, Pensioenwet en hiermee indirect kiest voor een variabele uitkering na pensioeningang).
  • Voor bestaande premieregelingen (bij de invoering van de Wet Verbeterde Premieregeling) geldt overigens overgangsrecht: uitvoerders hebben tot 1 januari 2018 de tijd om de uitvoering van het beleggingsbeleid zowel te kunnen richten op een vaste als een variabele uitkering en om hiervoor de voorkeur uit te vragen bij deelnemers.