Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

IFR/IFD – Tegenpartijkredietrisico

Q&A

Vraag 1:

Hoe kan een beleggingsonderneming goedkeuring vragen voor de uitzondering van intragroep transacties van de berekening van K-TCD?

Gepubliceerd: 03 december 2021

Bekijk eerdere versies in het archief

Antwoord:

Op grond van artikel 25, lid 3, IFR geeft DNB goedkeuring aan een beleggingsonderneming om intragroep transacties uit te sluiten van de berekening van K-TCD, mits er aan de voorwaarden uit datzelfde artikellid is voldaan. DNB verwacht dat er bij een aanvraag voor een dergelijke goedkeuring in ieder geval de volgende documentatie wordt bijgevoegd:

  1. Een actueel organogram van de groep, met daarbij de prudentiële kwalificatie van de afzonderlijke entiteiten (kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling) en de identificatie van de entiteiten die gebruik willen maken van de intragroep uitzondering;

  2. Een beschrijving van het beleid en de controlemaatregelen op het gebied van risicobeheer en de wijze waarop deze centraal geformuleerd en toegepast worden;

  3. De eventuele contractuele grondslag van het risicobeheerskader voor de gehele groep, alsmede aanvullende documentatie, zoals het risicobeleid van de groepsmaatschappijen op het gebied van krediet-, markt-, liquiditeits- en operationeel risico;

  4. Een beschrijving van de mogelijkheden die de moederinstelling/-onderneming heeft om groepsbreed risicobeheer te handhaven;

  5. Een beschrijving van het mechanisme dat prompte overdracht van eigen vermogen en de terugbetaling van passiva door een van de groepsentiteiten waarborgt in het geval van financiële moeilijkheden;

  6. Een brief die conform het toepasselijk recht is ondertekend door een wettelijke vertegenwoordiger van de moederonderneming, met goedkeuring van het leidinggevend orgaan, en waarin wordt gesteld dat de beleggingsonderneming op groepsniveau voldoet aan alle in Artikel 25, lid 3, van de IFR bedoelde voorwaarden;

  7. Een door het leidinggevend orgaan van de moederonderneming goedgekeurd juridisch advies dat door een onafhankelijke, externe derde of een interne juridische afdeling is uitgebracht, waaruit blijkt dat er, buiten de in het vennootschapsrecht opgelegde beperkingen, voor de overdracht van vermogen of de terugbetaling van passiva door de moederonderneming geen belemmeringen bestaan op grond van toepasselijke wet- en regelgeving (inclusief belastingwetten) of juridisch bindende overeenkomsten;

  8. Een verklaring die is ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers en goedgekeurd door de leidinggevende organen van de moederonderneming en de groepsentiteiten die voornemens zijn Artikel 25, lid 3, van de IFR toe te passen, en waarin zij stellen dat er geen praktische belemmeringen bestaan voor de financiering van overdrachten of de terugbetaling van passiva.

DNB zal toetsen of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 25, lid 3, IFR, en op basis daarvan besluiten of goedkeuring wordt verleend aan de beleggingsonderneming.

Vraag 2:

Hoe kan een beleggingsonderneming goedkeuring vragen om de blootstellingswaarde te berekenen volgens een van de CRR-methoden voor tegenpartijkredietrisico?

Antwoord:

Op grond van artikel 25, lid 4, IFR kan DNB goedkeuring geven aan een beleggingsonderneming om de blootstellingswaarde van bepaalde derivatencontracten en transacties te berekenen volgens één van de methoden in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, 4 of 5, van de CRR, zijnde de Standardized Approach for Counterparty Credit Risk (SA-CCR), Simplified Standardized Approach (SSA) of de Original Exposure Method (OEM). DNB verwacht dat bij een aanvraag voor een dergelijke goedkeuring in ieder geval de volgende informatie wordt bijgevoegd:

  1. Een toelichting op welk van de methoden uit de CRR de beleggingsonderneming gebruik wil maken;

  2. Indien de beleggingsonderneming gebruik wil maken van de methoden in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 4 of 5, zijnde de Simplified Standardized Approach (SSA) of de Original Exposure Method (OEM), een bewijs dat is voldaan aan de drempelwaarden voor deze methoden in art. 273(1) en art. 273(2) respectievelijk uit de CRR;

  3. Een vergelijking van de eigenvermogensvereisten berekend volgens K-TCD en de eigensvermogensvereisten volgens de gewenste CRR-methode en uitsplitsing van de blootstellingswaarde volgens de rapportage in C.34.2 voor SA-CCR en SSA, en C.34.3 voor de OEM.

DNB zal in principe goedkeuring geven voor het gebruik van de CRR-methoden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan die hieraan in de CRR zijn gesteld. Indien goedkeuring is verleend, moet een instelling in staat zijn het rapportageformulier uit de gemeenschappelijke rapportage (Common Reporting of CoRep) over de CCR blootstellingswaarde op verzoek aan te leveren bij DNB.

Vraag 3:

Hoe kan een beleggingsonderneming goedkeuring vragen voor een model op basis waarvan een eigen delta voor toezichtsdoeleinden van opties en swaptions wordt berekend?

Antwoord:

Op grond van artikel 29, lid 6, IFR mag een beleggingsonderneming een eigen delta berekenen, op basis van een passend model dat door DNB is goedgekeurd. Beleggingsondernemingen dienen hiervoor een aanvraag in te dienen bij DNB.

DNB acht de selectie van deltaformules en bijbehorende parameters in art. 279a CRR als passend. DNB verleent in ieder geval goedkeuring indien het deltamodel van een beleggingsonderneming overeenkomstig dit CRR-artikel is.

Voor instrumenten of instrumentgroepen waarvoor de instelling een ander model of inputs voor het model gebruikt, dient de volgende informatie te worden bijgevoegd in de aanvraag:

  1. Een door het bestuur ondertekend verzoek om toestemming voor het bovenstaande;

  2. Aanvraagspecificatie:
    1. Beschrijving hoe de instelling voldoet aan artikel 29, lid 6 IFR: Overzicht van financiële instrumenten / instrumentgroepen waarvoor toestemming wordt gevraagd.
    2. Toelichting dat de selectie van deltaformules uit art. 279(a) uit de CRR niet compatibel zijn met het instrument of de instrumentgroep waarvoor de instelling goedkeuring aanvraagt voor het gebruik van een eigen delta berekening.
    3. Per instrument(groep) welk model gebruikt wordt voor de berekening van de eigen delta.
    4. Model governance: welke afdelingen dragen de verantwoordelijkheid voor de berekening, validatie en monitoring van het model (voor de berekening van de eigen delta)?

  3. Modelomschrijving:
    1. Een beschrijving van het model.
    2. Assumpties van het model (constante volatiliteit? Europees/Amerikaans, etc.).
    3. Relevante overige inputs / variabelen.

  4. Modelvalidatie:
    1. Beargumenteerde validatiestrategie.
    2. Welke data gebruikt zijn voor eventuele tests.
    3. Welke onderliggende waarden gebruikt worden bij de validatie.
    4. Kritische beschouwing van de validatieresultaten (hierin dient een toelichting gegeven te worden op verschillen met een benchmarkmodel).
    5. Beleggingsmandaat of vergelijkbaar document waarin beschreven wordt in welke producten de aanvrager handelt, een beschrijving van de procedure(s) ter handhaving van het mandaat en de procedures die gelden wanneer van dit mandaat wordt afgeweken.

Vraag 4:

Zal DNB de volatiliteitsaanpassing wijzigen voor bepaalde soorten grondstoffen waarvoor verschillende niveaus van volatiliteit in prijzen bestaan?

Antwoord:

Nee, DNB maakt vooralsnog geen gebruik van de discretie om op basis van artikel 30, lid 1, IFR de volatiliteitsaanpassing te wijzigen voor bepaalde soorten grondstoffen waarvoor verschillende niveaus van volatiliteit in prijzen bestaan.

Vraag 5:

Oordeelt DNB dat de uit effectenfinancieringstransacties (SFT’s) voortvloeiende blootstellingen aan het CVA-risico wezenlijk zijn?

Antwoord:

Nee, DNB maakt vooralsnog geen gebruik van de discretie om op basis van artikel 32, sub d, IFR de CVA te verhogen van 1 naar 1,5 indien de bevoegde autoriteit constateert dat de uit SFT’s voortvloeiende blootstellingen van de beleggingsonderneming aan het CVA-risico wezenlijk zijn.