Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

06 mei 2014 Toezicht

Toezicht

Vraag:

Hoe toetst DNB de wijze waarop pensioenfondsen de kostenvoorziening vaststellen?

Antwoord:

Pensioenfondsen dienen de technische voorzieningen vast te stellen op basis van de kastromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenverplichtingen (artikel 126 Pensioenwet en de daarbij behorende regels in het Besluit FTK). Het treffen van een voorziening voor toekomstige (kasstromen die voortvloeien uit) kosten voor administratie, communicatie en het doen van uitkeringen is daar onderdeel van. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook bij discontinuïteit van de onderneming(en) het pensioenfonds de uitvoeringskosten dient te kunnen dragen. De wijze waarop pensioenfondsen de kostenvoorziening vaststellen verschilt in de praktijk. DNB wil met deze Q&A's aan pensioenfondsen aangeven hoe het toetst ten aanzien van de wijze waarop de kostenvoorziening wordt vastgesteld.

Vraag 1

Moet een pensioenfonds als onderdeel van de technische voorzieningen altijd een voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten aanhouden?

Antwoord - Ja, de toekomstige uitvoeringskosten zijn ‘verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen’ zoals bedoeld in artikel 126 Pensioenwet over technische voorzieningen en dienen derhalve op grond van dat artikel en de uitwerking daarvan in artikel 2, lid 1 besluit FTK , onderdeel te zijn van de technische voorzieningen van een pensioenfonds.

Toelichting - Door het aanhouden van een adequate voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten is het pensioenfonds in staat deze uitvoeringskosten die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen, naar verwachting onder alle omstandigheden geheel zelf te kunnen dragen zonder daarbij afhankelijk te zijn van toekomstige bijdragen. Het treffen van een kostenvoorziening hangt daarom direct samen met de principes van externe onderbrenging en kapitaaldekking waarop de Pensioenwet gebaseerd is. Er zijn geen omstandigheden die het treffen van een adequate kostenvoorziening onnodig maken. Zoals bijvoorbeeld een laag ingeschatte kans dat de uitvoeringsovereenkomst wordt opgezegd of specifieke afspraken met de werkgever(s) om tekorten in de toekomst aan te vullen.

Vraag 2

Voor welke uitvoeringskosten moet een pensioenfonds een voorziening aanhouden?

Antwoord - Een pensioenfonds moet een voorziening aanhouden voor alle toekomstige kosten in verband met de uitvoering van de bij het pensioenfonds ondergebrachte regelingen, die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de kosten in verband met administratie, informatieverstrekking en het doen van uitkeringen die voortvloeien uit de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten. Toekomstige kosten die samenhangen met de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, zoals die van bestuur en bestuursondersteuning, advies en controle, vallen daar ook onder. Maar kosten die horen bij de opbouw van nieuwe aanspraken van actieve deelnemers, zoals incassokosten, horen er niet bij. Kosten die rechtstreeks verband houden met vermogensbeheer vallen buiten deze Q&A.

Toelichting - Het gaat bij het maken van een kostenvoorziening om alle kosten die het pensioenfonds in de toekomst dient te maken om de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen uit te kunnen voeren zonder dat er nog toekomstige bijdragen voor die uitvoeringskosten worden ontvangen. Hieronder vallen niet de uitvoeringskosten die het pensioenfonds in de toekomst moet maken om de vanaf datum van vaststelling nog op te bouwen pensioenverplichtingen van de actieve deelnemers uit te kunnen voeren. Die uitvoeringskosten financiert het pensioenfonds via een opslag in de kostendekkende premie zoals bedoeld in artikel 128, lid c Pensioenwet.

Vraag 3

Op welke wijze berekent het pensioenfonds de voorziening voor uitvoeringskosten?

Antwoord - Pensioenfondsen hebben de vrijheid om te kiezen uit verschillende methodes die bestaan voor het berekenen van en het bepalen van het verloop van de technische voorziening voor de uitvoeringskosten mits voldaan wordt aan de volgende uitgangspunten.

  • Een pensioenfonds kan aantonen dat de voorziening voor uitvoeringskosten van het niveau is dat voortvloeit uit een realistische inschatting van tegen de op grond van artikel 2, lid 2 van het Besluit FTK gepubliceerde DNB rentetermijnstructuur verdisconteerde kasstromen met betrekking tot toekomstige uitvoeringskosten die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.

  • Een pensioenfonds houdt bij het bepalen van de verwachte uitgaande kasstromen rekening met toekomstige prijsinflatie.

  • Een pensioenfonds houdt op grond van artikel 126 Pensioenwet, lid 2, onderdeel c de methode en de grondslag voor de berekening van de technische voorziening voor uitvoeringskosten - nadat de voorziening eenmaal met een gedegen onderzoek is vastgesteld - van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van veranderingen van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.

  • Een pensioenfonds legt de methode voor het berekenen van de technische voorzieningen voor uitvoeringskosten alsmede het jaarlijkse verloop hiervan vast in de ABTN waarbij een onderbouwing en beschrijving van de methode en de gehanteerde uitgangspunten wordt bijgevoegd.

Toelichting - Een veelgebruikte methode voor het bepalen van de technische voorziening voor uitvoeringskosten bestaat eruit dat er enerzijds een zo goed mogelijk inschatting wordt gemaakt van de jaarlijkse administratieve kosten per gewezen deelnemer (slaper), gepensioneerde en eenmalige handelingen zoals pensionering, afkoop of overlijden. Hiervoor kan het pensioenfonds bijvoorbeeld gebruik maken van de huidige kostenstructuur of het contract met de PUO. In deze context worden de deelnemers als slaper beschouwd omdat het om de toekomstige uitvoeringskosten gaat die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen en dus geen rekening wordt gehouden met toekomstige opbouw en bijdragen. Anderzijds maakt het pensioenfonds een reële inschatting van de vaste kosten als slapend fonds die niet direct te maken hebben met de hiervoor bedoelde administratieve handelingen zoals bijvoorbeeld de kosten van bestuurs(ondersteuning), advies en controle, maar ook eventuele loonkosten bij bijvoorbeeld een eigen pensioenbureau die niet in voornoemde administratieve handelingen zijn besloten.

Een aandachtspunt is de toekomstige inflatie. Uitvoeringskosten zijn onderhevig aan inflatie. In tegenstelling tot de aanpassing van de pensioenen aan inflatie, kan een pensioenfonds de indexatie van de uitvoeringskosten – in ieder geval op de langere termijn – niet voorkomen. Daarom moet adequaat rekening worden gehouden met toekomstige inflatie van de uitvoeringskosten.

Het is van belang dat een pensioenfonds de geprognosticeerde uitvoeringskosten zo realistisch en concreet mogelijk kan onderbouwen. Indien bijvoorbeeld vooruit wordt gelopen op een onrealistische verlaging van bijvoorbeeld de vaste kosten, wordt het doel van een adequate kostenvoorziening niet bereikt. Het pensioenfonds voldoet dan niet aan artikel 126 Pensioenwet en artikel 2 besluit FTK.

Een veelgebruikte methode voor het bepalen van het verloop van de technische voorziening voor uitvoeringskosten is de zogenoemde ‘excassomethode’. Hierbij wordt de voorziening uitvoeringskosten vertaald in een opslag in de totale technische voorziening en wordt deze opslag tevens toegepast bij de nieuwe opbouw (toevoeging aan de voorziening) en de uitkeringen (vrijval van de voorziening). Het staat pensioenfondsen evenwel vrij om een andere methode te gebruiken, zoals expliciet vermeld in het antwoord op deze vraag.

Vraag 4

Moet een pensioenfonds bij de vaststelling van de voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten ervan uitgaan dat het te allen tijde zelf alle pensioenverplichtingen afwikkelt, en dus blijft bestaan tot de laatste (gewezen) deelnemer uiteindelijk overleden is?

Antwoord - Nee, een pensioenfonds mag bij de vaststelling uitgaan van een toekomstig moment van overdracht (liquidatie) mits het voldoende concreet kan aantonen dat een overdracht op dat toekomstige moment tegen de (in de berekening) voorgestelde condities ook voldoende realistisch is (het moet immers een ‘best estimate’ zijn). Daarbij gelden in ieder geval de volgende uitgangspunten.

  • Het voornemen om over te gaan tot liquidatie indien zekere omstandigheden zich voordoen (zoals de condities voor opzegging van de uitvoeringsovereenkomst of het bereiken van een bepaalde schaalgrootte) dient samen met de beschrijving van die omstandigheden vastgelegd te worden in de relevante fondsdocumenten, wil het pensioenfonds dat meenemen bij de vaststelling van bedoelde voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten.

  • Het fonds dient fondsspecifieke informatie te verkrijgen over de kostenvoorziening die mogelijk overnemende pensioenuitvoerders in rekening brengen voor de betreffende pensioenfondspopulatie en –regeling(en). Indien in de berekening rekening wordt gehouden met een liquidatie op lange termijn, conform wat daarover in de ABTN is opgenomen, kan het zo zijn dat een pensioenfonds minder gedetailleerde gegevens kan verkrijgen over de alsdan geldende tarieven voor kosten.

Dit kan mogelijk worden ondervangen door ervaringscijfers voor vergelijkbare pensioenfondsen (bijvoorbeeld qua omvang, gemiddelde aanspraak, samenstelling, pensioenregelingen) of door gangbare tarieven per polis/handeling te hanteren, waarmee de fondsspecifieke situatie kan worden benaderd.

  • Een pensioenfonds mag hierbij geen rekening houden met (een verschil in) andere grondslagen bij een overnemende pensioenuitvoerder.
  • Liquidatie en overdracht heeft een bepaalde doorlooptijd en gaat daarnaast gepaard met extra uitvoeringskosten. Een pensioenfonds moet inzichtelijk maken hoe het met deze kosten rekening houdt.

Toelichting - Een pensioenfonds moet een best estimate vaststellen van de toekomstige uitvoeringskosten en daarbij alle relevante omstandigheden, voor zover deze voldoende concreet zijn vast te stellen, meenemen. Zo zal een “slapend” pensioenfonds op een toekomstig moment een schaalgrootte bereiken waarop het niet langer opportuun ( realistisch of in het belang van aanspraakgerechtigden) is om het pensioenfonds te laten voortbestaan. Waar dat moment in de toekomst ligt zal met name afhangen van de schaalgrootte, uitvoeringskeuzes en andere eigenschappen van een pensioenfonds. Daarbij heeft DNB een aantal aandachtspunten onderkend. Zie ook de Q&A Krimpende en gesloten fondsen.