Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Passendheid toegepaste rekenmethodiek

Q&A

Vraag:

Hoe toetst De Nederlandsche Bank of pensioenuitvoerders een passende rekenmethode in de zin van artikel 14j Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling kiezen voor de weergave van ouderdomspensioen in scenario’s?

Gepubliceerd: 16 april 2019

Bekijk eerdere versies in het archief

Antwoord:

Pensioenuitvoerders zijn verantwoordelijk voor het kiezen van een rekenmethode die passend is gegeven de kenmerken van de pensioenuitvoerder en de pensioenregelingen die worden uitgevoerd. De pensioenuitvoerder moet afwegen welke rekenmethodiek, met de bijbehorende impliciete en expliciete uitgangspunten, het beste aansluit bij de specifieke situatie van de pensioenuitvoerder en de uit te voeren regelingen. De pensioenuitvoerder dient de procedures vast te leggen voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes.

Voor een pensioenfonds geldt aanvullend nog de eis dat het pensioenfonds de keuze voor de rekenmethode meeneemt als onderdeel van het communicatie- en voorlichtingsbeleid van het pensioenfonds waarover een verantwoordingsorgaan een adviestaak heeft.

De Nederlandsche Bank (DNB) kan toetsen of de pensioenuitvoerder adequaat invulling geeft aan de gehanteerde rekenmethodiek en of de rekenmethodiek passend is. DNB toetst dit risico gebaseerd.

Toelichting:

De rekenmethodes voor de weergave van ouderdomspensioen in scenario’s worden gebruikt voor de communicatie door de pensioenuitvoerder naar de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden.

De rekenmethodes voor de weergave van ouderdomspensioen in scenario’s worden ook gebruikt voor de vaststelling van de risicohouding door pensioenfondsen bij premieovereenkomsten, premieregelingen en variabele uitkeringen als bedoeld in artikel 1a Besluit FTK. Via artikel 14d Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit Pw en Wvb), geldt dit ook voor de vaststelling van de risicohouding door verzekeraars en premiepensioeninstellingen als deze verantwoordelijk zijn voor de beleggingen. DNB houdt toezicht op de wijze waarop pensioenuitvoerders de risicohouding voor premieovereenkomsten, premieregelingen en variabele uitkeringen vaststellen.

Er zijn drie verschillende rekenmethodieken.

  • De generieke rekenmethodiek. De rekenmethodiek voor alle soorten pensioenovereenkomsten en pensioenregelingen. De generieke rekenmethodiek is het meest principle-based van de drie rekenmethodieken. De generieke rekenmethodiek is bijvoorbeeld ook geschikt voor wijziging van karakter (bijvoorbeeld opbouw op basis van een premieregeling, uitkering van een vaste uitkering) in een scenario.
  • Rekenmethodiek 1 en rekenmethodiek 2. Dit zijn rekenmethodieken die alleen geschikt zijn voor uitkeringsovereenkomsten en vastgestelde uitkeringen. Rekenmethodiek 2 kan daarbij alleen door pensioenfondsen worden toegepast. Ten opzichte van de generieke rekenmethodiek is rekenmethodiek 1 wat meer rule based vormgegeven en is rekenmethodiek 2 geheel rule based.

Artikel 14j, lid 4 Regeling Pw en Wvb bepaalt dat pensioenuitvoerders de procedures vastleggen voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes.

In de vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes dient door de pensioenuitvoerder een onderbouwing opgenomen te zijn waarom de rekenmethodiek, gezien de bijbehorende impliciete en expliciete uitgangspunten, het beste aansluit bij de specifieke situatie van de pensioenuitvoerder en de uit te voeren regelingen. DNB verwacht dat een pensioenuitvoerder ook in de besluitvorming en verantwoording daarvan duidelijk maakt op welke punten de uitgevoerde pensioenregeling afwijkt van impliciete en expliciete uitgangspunten die gehanteerd worden in de gekozen rekenmethodiek en waarom toepassing van die rekenmethodiek passend is mede in vergelijking met de andere rekenmethodieken.

Voor pensioenfondsen geldt aanvullend nog dat de gekozen rekenmethodiek onderdeel vormt van het communicatiebeleid waarover het verantwoordingsorgaan een adviestaak heeft in de zin van artikel 115a, lid 3 Pensioenwet (Pw). Voor zover sprake is van een belanghebbendenorgaan bij een pensioenfonds, heeft dat belanghebbendenorgaan op grond van artikel 115c, lid 2 Pw ook een adviesrecht. DNB verwacht van een pensioenfonds dat bij het vragen van het advies ook wordt ingegaan op de vraag in hoeverre de uitgevoerde pensioenregeling afwijkt van impliciete en expliciete uitgangspunten van de gekozen rekenmethodiek en waarom toepassing van die rekenmethodiek toch het meest passend is in vergelijking met de andere rekenmethodieken.