Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Good Practice intragroepsverhoudingen Elektronischgeld- en Betaalinstellingen

Good practice

Financiële intragroepsverhoudingen, -overeenkomsten en -posities (hierna: intragroepsverhoudingen) tussen elektronischgeld- en betaalinstellingen (hierna: instellingen) en andere groepsentiteiten kunnen een bedreiging vormen voor de soliditeit van een onder toezicht staande instelling.

Gepubliceerd: 22 januari 2024

Laatste update: 25 januari 2024

Bekijk eerdere versies in het archief

Daarom houdt DNB, als onderdeel van het prudentieel toezicht ingevolge de Wet op het financieel toezicht (Wft), toezicht op de inrichting van de bedrijfsvoering van instellingen met betrekking tot intragroepsverhoudingen.

Om inzicht te geven in de eisen die voortvloeien uit de wet- en regelgeving op dit onderwerp en de verwachtingen van DNB daarbij, zijn good practices ontwikkeld.

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de relevante wet- en regelgeving. Daarna gaat hoofdstuk 3 in op de risico’s die intragroepsverhoudingen met zich meebrengen. In hoofdstuk 4 leest u good practices van gehanteerde uitgangspunten voor het interne risicomanagement raamwerk voor intragroepsverhoudingen, zowel vanuit financieel als juridisch perspectief.

Relevante wet- en regelgeving

Met deze good practice worden handvatten gegeven voor de toepassing van de volgende wet- en regelgeving:

  • artikel 3:17, eerste lid van de Wft en de regels ingevolge het tweede lid van dat artikel; en
  • hoofdstuk 4 van het Besluit prudentiële regels Wft.

Deze wettelijke bepalingen schrijven voor dat instellingen een beheerste en integere bedrijfsvoering moeten hebben en beleid moeten voeren dat gericht is op het beheersen van relevante risico’s. Het beleid moet worden vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en worden geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Onder relevante risico’s worden onder andere verstaan het concentratierisico en krediet- en tegenpartijrisico. Dergelijke risico’s kunnen ook voort komen uit financiële intragroepsverhoudingen. Daarnaast kunnen overeenkomsten met andere groepsentiteiten aanvullende risico’s met zich mee brengen (zie paragraaf 3). Daarom publiceert DNB deze good practice ten aanzien van de beheersing van de risico’s van intragroepsverhoudingen.

Als naar het oordeel van DNB een beheerste en integere bedrijfsuitoefening onvoldoende is gewaarborgd, dan kan DNB een instelling onder meer een aanwijzing geven, een last onder dwangsom of een boete opleggen.

Risico’s van intragroepsovereenkomsten en -posities

Intragroepsverhoudingen kunnen op twee manieren tot risico's leiden:

  1. Er kunnen belangenconflicten zijn tussen de instelling en haar tegenpartij bij intragroepsverhoudingen die overwegend of uitsluitend in het belang van de tegenpartij van de instelling worden opgelost.

    Bijvoorbeeld wanneer een transactie onder druk van formele of informele groepsrelaties plaatsvindt en niet volgt uit de normale uitoefening van het bedrijf van betaalinstelling en/of elektronischgeldinstelling. Er is in dat geval geen sprake van een transactie op basis van ‘arm’s length principe’. Dat kan ten eerste invloed hebben op de condities van de transactie zoals zekerheden en omvang. Dit zou ertoe kunnen leiden dat een instelling een veel grotere risicopositie aanhoudt op een groepsentiteit dan de instelling op een tot een transactie bereid zijnde onafhankelijke partij zou aanhouden. Ten tweede kunnen er hierdoor risicoconcentraties binnen de groep ontstaan. En ten derde is er ook een verhoogd risico op onjuistheden in de prijs en de balanswaardering bij transacties waar belangenconflicten het principe van ‘arm’s length’ onder druk zetten.

  2. Verwevenheid tussen entiteiten binnen de groep waartoe de instelling behoort als gevolg van financiële intragroepsverhoudingen kunnen leiden tot besmettingsrisico’s. Als er namelijk geen riskmanagementsysteem aanwezig is dat de financiële verwevenheden en risicoconcentraties adequaat in aanmerking neemt kunnen financiële tegenvallers van andere entiteiten binnen de groep de financiële soliditeit van de onder toezicht staande instelling negatief beïnvloeden.

Good Practices van gehanteerde uitgangspunten voor een adequate beheersing van intragroepsovereenkomsten en -posities

DNB heeft good practices opgesteld over hoe een instelling het risicomanagement ten aanzien van intragroepsverhoudingen zou kunnen inrichten. Instellingen richten het risicomanagement ten aanzien van intragroepsverhoudingen zodanig in dat een beheerste en integere bedrijfsvoering is gewaarborgd, vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Deze uitgangspunten hebben betrekking op A) de interne beleidsmatige inkadering, B) de inperking van de financiële risico’s en C) de juridische borging.

Good Pactice A

Interne beleidsmatige inkadering

  • De procedures en maatregelen ter beheersing van de bovengenoemde risico’s van intragroepsverhoudingen zijn vastgelegd in een beleidsdocument van de vergunninghoudende entiteit.

  • Het beleidsdocument bevat een vastlegging van twee sets procedures en maatregelen. Ten eerste de procedures voor het uitvoeren van periodieke risicoanalyses van alle intragroepsverhoudingen binnen de groep en ten tweede de procedures en maatregelen die de instelling in staat stellen om te waarborgen dat de financiële en juridische risico’s van intragroepsverhoudingen adequaat worden beheerst. Deze tweede set van procedures en maatregelen heeft de instelling verder onderverdeeld in de volgende categorieën:
    1. de aard c.q. het type intragroepsverhoudingen dat binnen de groep is toegestaan en de daaraan gestelde voorwaarden;
    2. de limieten en te ontvangen zekerheden per type financiële transactie en type tegenpartij;
    3. de procedures en maatregelen die de instelling in staat stellen om te waarborgen dat intragroepsverhoudingen op basis van ‘arm’s length principe’ worden aangegaan;
    4. de procedures en maatregelen die de instelling in staat stellen de omvang en risico’s van intragroepsverhoudingen te monitoren, de limieten te bewaken en de intragroepsverhoudingen binnen een redelijke termijn te vereffenen;
    5. de benodigde autorisaties bij de totstandkoming van intragroepsverhoudingen;
    6. de noodzakelijke contractuele vastlegging van intragroepsverhoudingen;
    7. de procedures en maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat intragroepsverhoudingen uitsluitend tot stand komen als onderdeel van de normale uitoefening van het bedrijf van betaalinstelling en/of elektronischgeldinstelling;
    8. de procedures en maatregelen om intragroepsverhoudingen te monitoren en over de risico’s van intragroepsverhoudingen te rapporteren aan het senior management;
    9. de rol van de 2e- en 3e-lijnsfuncties ten aanzien van intragroepsverhoudingen. In dit kader stelt de 2e lijn het beleid op en toetst periodiek de toepassing daarvan door 1e lijn. De 3e lijn voert regelmatig audits uit op de risicobeheersing van intragroepsverhoudingen; en
    10. indien er sprake is van een raad van commissarissen, de procedures en maatregelen om intragroepsverhoudingen te monitoren en over de risico’s van intragroepsverhoudingen te rapporteren aan de raad van commissarissen.

Good Practice B

Inperking financiële risico’s

  • De omvang van de blootstelling van een instelling op een andere groepsentiteit staat in gezonde verhouding tot de zelfstandige terugbetalingscapaciteit van die betreffende groepsentiteit.
    Indien de omvang niet in gezonde verhouding staat tot de zelfstandige terugbetaalcapaciteit, wordt het risico voor de instelling afgedekt met zekerheden die niet gecorreleerd zijn met de kredietkwaliteit van de betreffende groepsentiteit.

  • Rekening-courantverhoudingen tussen een instelling en andere groepsentiteiten (inclusief eventuele andere betaalinstellingen en/of elektronischgeldinstellingen binnen de groep) ontstaan alleen maar uit hoofde van specifieke activiteiten die passen binnen de normale bedrijfsvoering van de betaalinstelling en/of elektronischgeldinstelling. Dat betreft bijvoorbeeld de verrekening van kosten van interne dienstverleningsactiviteiten of centrale treasury. De omvang van de blootstelling van een instelling op een andere groepsentiteit staat zodoende in gezonde verhouding tot de zelfstandige terugbetalingscapaciteit van die betreffende groepsentiteit en er vindt periodiek vereffening plaats. De rekening courant wordt niet oneigenlijk gebruikt voor lange termijn financiering van groepsactiviteiten. Uitzettingen van een centrale treasury mogen de liquide aard van de rekening courantvordering niet aantasten. De rekening courant is direct opvraagbaar en de opvraagbaarheid komt niet in gevaar door de soliditeit van de (centrale) tegenpartij.

  • De instelling en de groep hebben te allen tijde een volledig inzicht in zowel de omvang als de financiële risico’s van de intragroepsverhoudingen. Hiertoe wordt de zelfstandige terugbetalingscapaciteit gemonitord van de groepsentiteiten waarop de instelling uitzettingen heeft.

  • Geen enkele individuele intragroepsverhouding is door zijn omvang een bedreiging voor de soliditeit van de instelling. Risicoconcentraties op één groepsentiteit worden vermeden of voorzien van adequate zekerheden.

Good Practice C

Juridische borging

  • De intragroepsverhouding is duidelijk beschreven in een contract tussen de instelling en de tegenpartij met een adequate juridische grondslag, waarin de respectievelijke rechten en plichten helder omschreven zijn.

DISCLAIMER

Good practices bevatten suggesties of aanbevelingen voor onder toezicht staande instellingen. Het zijn voorbeelden van mogelijke toepassingen die naar het oordeel van DNB goede invulling geven aan de verplichtingen uit wet- en regelgeving. Good practices zijn indicatief van aard en instellingen zijn vrij om een andere toepassing te kiezen, zo lang men anderszins voldoet aan de wet- en regelgeving. Voor een nadere toelichting op de status van de beleidsuitingen van DNB zie de Leeswijzer beleidsuitingen DNB op Open Boek Toezicht.