Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

03 januari 2018 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Is er sprake van een interne collectieve waardeoverdracht, als bedoeld in artikel 83, lid 1, letter c, Pensioenwet (PW)1, als een pensioenuitvoerder bij of na een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst met een hogere pensioeningangsleeftijd ook de pensioeningangsdatum van bestaande pensioenaanspraken verhoogt?

Antwoord:

Ja, dan is sprake van een interne collectieve waardeoverdracht. Als volgens de op 1 maart 2018 in werking getreden wijziging van artikel 83 PW aan bepaalde voorwaarden is voldaan, hoeft een pensioenuitvoerder een dergelijke interne collectieve waardeoverdracht niet meer bij DNB te melden. Ook kan DNB dan geen verbod opleggen en kunnen de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden geen bezwaar maken tegen deze aanpassing.

De in het nieuwe lid 3 van artikel 83 gestelde aanvullende voorwaarden2 voor zo’n interne collectieve waardeoverdracht zijn:

  1. de nieuwe pensioenrichtleeftijd betreft een pensioenrichtleeftijd als bedoeld in artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit artikel op enig moment luidt of luidde;
  2. de pensioenregeling voorziet in de mogelijkheid de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen naar de ingangsdatum voor de wijziging; en
  3. bij de vervroeging worden in de flexibiliseringfactoren naar de ingangsdatum van het pensioen voor de wijziging geen selectiefactoren in aanmerking genomen.

Hiermee is materieel hetzelfde geregeld als vóór inwerkingtreding van deze wetswijziging gold3. Tot 1 maart 2018 mochten pensioenuitvoerders er op vertrouwen dat er geen sprake was van een intern collectieve waardeoverdracht volgens artikel 83 PW als aan enkele vergelijkbare voorwaarden werd voldaan. Materieel gezien moest de pensioenaanspraak (nagenoeg) gelijk blijven. Pensioenuitvoerders zouden in dat geval dan ook niet conform artikel 83, lid 2, letters a en c, PW een collectieve waardeoverdracht bij DNB hoeven te melden en het zou ook niet nodig zijn de individuele deelnemers in de gelegenheid te stellen bezwaar te maken tegen de interne waardeoverdracht.

Achtergrond:

Per 1 januari 2014 is de fiscale pensioenrichtleeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar en per 1 januari 2018 is deze verder verhoogd naar 68. Verdere verhogingen zijn niet uitgesloten. Een in de pensioenovereenkomst overeengekomen verhoging van de pensioenrichtleeftijd ziet alleen op toekomstige pensioenopbouw en heeft geen invloed op de reeds opgebouwde pensioenaanspraken. Als gevolg hiervan zouden pensioenuitvoerders voor (gewezen) deelnemers verschillende ingangsdata voor pensioenaanspraken moeten administreren. Met één pensioenleeftijd voor alle opgebouwde aanspraken zouden pensioenuitvoerders de stijging van de uitvoeringskosten door introductie van verschillende ingangsdata kunnen beperken en de communicatie aan (gewezen) deelnemers eenvoudiger en helderder maken. Daardoor zouden deelnemers (en gewezen deelnemers) beter in staat kunnen worden gesteld om de eigen pensioensituatie zo goed mogelijk te beoordelen.

Naar aanleiding van vragen uit de pensioensector heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief van 17 januari 2013 aangegeven dat, bij uitsluitend het collectief actuarieel herrekenen van aanspraken naar een hogere pensioenrichtleeftijd, het proces van waardeoverdracht en de instemming van individuele deelnemers zoals dat is geregeld in artikel 83 PW niet aan de orde is. De voorwaarden daarvoor zijn volgens de brief:

  • dat die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt; en
  • dat het pensioenreglement erin voorziet dat de betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd kan terugzetten, zonder dat dit op voorhand bestaande aanspraken en rechten aantast.

De wetswijziging inzake interne waardeoverdracht bij wijziging van de pensioenrichtleeftijd

De Pensioenwet is per 1 maart 2018 gewijzigd om explicieter te regelen hoe pensioenuitvoerders kunnen omgaan met wijzigingen in de pensioenrichtleeftijd.

Kort gezegd geeft de wijziging van artikel 83 PW een adequate verduidelijking en aanvullende waarborgen ter invulling van de in de brief van 17 januari 20134 gestelde voorwaarden. Namelijk dat bij een actuariële herrekening van bestaande pensioenaanspraken in verband met een verhoging van de pensioenrichtleeftijd die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement erin voorziet dat de betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd kan terugzetten, zonder dat dit op voorhand zijn rechten aantast. Dat laat onverlet dat als een individuele deelnemer op enig moment de pensioeningangsdatum weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terugzet, het kan zijn dat het omrekentarief tot een iets andere uitkomst leidt in vergelijking met de eerdere actuarieel neutrale omrekening.

  1. 1 Of artikel 91, lid 1, letter b, Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB; hierna wordt alleen verwezen naar de PW)
    2 Dit zijn voorwaarden in aanvulling op de voorwaarden in artikel 83, lid 1 en lid 2, letter b, PW
    3 Zie brief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2017 Kamerstukken 2017/18, 34 765, 19, in antwoord op vragen van kamerlid van Rooijen van 50PLUS
    4 Brief van staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken I 2012/13, 33 290, N

Relevant voor:

  • Pensioenfondsen
  • Premiepensioeninstellingen
  • Verzekeraars